de Sibillijnse boeken

Sibbillijnse boeken
de sibille van Erythrea door Michelangelo

Zoals de Christenen hun Bijbel, de Joden hun Thora en de Moslims hun Koran hebben, zo hadden de Romeinen hun Sibillijnse boeken.

Toch was er een groot verschil tussen de Romeinse heilige boeken en die van de huidige religies. De Sibillijnse boeken mochten namelijk slechts door enkele personen gelezen worden.

Die personen heetten de Quindecimviri, of eigenlijk de Quindecimviri Sacris Faciundis; vijftien mannen die samen een van de belangrijkste priestercolleges van Rome vormden.

de Griekse wortels van de Sibillijnse boeken

De Sibillijnse boeken zijn volgens de mythologie aan het begin van de zesde eeuw BCE geschreven door de Trojaanse sibille. Een sibille was een profetes die ook priestertaken vervulde. De Trojaanse sibille deed dat in het orakel van Apollo in Dardania (Troas).

Daarna verhuisden de boeken naar een ander Apolloons orakel, namelijk dat van Erythrae. Dat heiligdom werd geleid door de beroemde sibille van Erythrae, de vrouw die volgens de legenden de val van Troje voorspeld had. Die sibille moet dus niet alleen wijs zijn geweest, maar ook stokoud. Tussen de val van Troje en het schrijven van de Sibillijnse boeken zaten namelijk meer dan vijf eeuwen.

de verwerving door de Romeinen

Niet veel later doken de boeken op in Italië. Aan het eind van de zesde eeuw BCE sprak een oude vrouw de Romeinse koning Tarquinius aan. Ze probeerde hem voor 300 goudstukken negen boeken te verkopen. De koning vond de prijs te hoog en sloeg het aanbod af.

Daarop liep de vrouw naar een vuur, verbrandde drie van de boeken en keerde met de overige zes terug naar Tarquinius. Voor 300 goudstukken mocht hij ze hebben, zei ze. De koning dacht dat ze gek was en schudde zijn hoofd.

Weer liep de vrouw naar het vuur en weer verbrandde ze drie boeken. Met de overgebleven drie boeken in haar armen kwam ze op Tarquinius af en deelde hem mee dat zijn laatste kans was om de boeken te kopen.

Op dat moment realiseerde de koning zich dat hij tegenover de sibille van Cumae stond, de wijze vrouw die Aeneas door de onderwereld had geleid. Hij bedacht zich geen moment en gaf de vrouw 300 goudstukken voor de Sibillijnse boeken.

de plaats van de Sibillijnse boeken in de Romeinse religie

De boeken kregen een tweeledige functie binnen de Romeinse religie. De meest bekende is die van orakel. Bij grote rampen of dreigende oorlogen, raadpleegden de Quindecimviri de boeken in de hoop een aanwijzing te vinden om het tij te keren. Zoals uit de historie van Rome blijkt, zijn ze daar altijd in geslaagd.

De tweede functie van de Sibillijnse boeken is misschien nog wel belangrijker. Naast een groot aantal profetieën bevatte de boeken namelijk uitgebreide voorschriften voor het vereren van de Goden. De Griekse Goden wel te verstaan. Want de Sibillijnse boeken hadden, zoals ik hierboven al schreef, een Griekse oorsprong.

Voordat Tarquinius de boeken kocht, kenden de Romeinen slechts een klein aantal lokale Goden. Die waren vooral op agrarisch terrein en in de oorlog actief. De Sibillijnse boeken gaven Rome echter inzicht de in bonte verscheidenheid van Griekse Goden. Dat gaf hun religieuze leven een impuls. Binnen twee eeuwen had iedere voorname Griekse God een Romeinse tegenhanger gevonden. Zo heette Zeus Jupiter bij de Romeinen, Ares werd Mars, en Athena noemden ze Minerva. Het complete Griekse pantheon namen ze over. En ze aanbaden hun nieuwe Goden ook op Griekse wijze.

de vernietiging van de Sibillijnse boeken

Net als de Joodse tempel zijn de Sibillijnse boeken twee keer vernietigd. De eerste keer was in 83 BCE, toen tijdens een burgeroorlog de tempel van Jupiter Capitolinus afbrandde. Ondanks dat de beheerders de boeken daar in een stenen kist onder de grond bewaarden, overleefden die de brand niet.

Na die ramp zonden de Romeinen over de hele wereld schriftgeleerden uit. Zij kregen de  opdracht mee om teksten te verzamelen die gebruikt konden worden om de Sibillijnse boeken te reconstrueren. Dat is hen ook gelukt. En de herstelde boeken kregen een plek in de tempel van Apollo op de Palatijn.

In 405 CE ging het echter voor de tweede maal mis. Uit ‘De Reditu Suo‘ van Rutilius Namatianus blijkt, dat de Christelijke generaal Stilicho de Sibillijnse boeken toen heeft verbrand. Volgens Rutilius deed Stilicho dat omdat hij Rome wilde vernietigen. Als dat waar is, is hij in zijn opzet geslaagd. Want vijf jaar later trokken de Visigoten de stad binnen en plunderden haar.

voorspelling van de komst van de Messias

Stilicho kon echter ook een ander doel hebben nagestreefd. Volgens de Christenen hadden de Sibillijns boeken namelijk de komst van Jezus voorspeld. Door het vandalisme van Stilicho valt de waarheid van die bewering niet meer te achterhalen. En dat was misschien ook wel zijn bedoeling. Wat de Christenen namelijk wel intact lieten, waren de zogenaamde ‘Sibillijnse orakels’. Die kondigden de Messias ondubbelzinnig aan. Het staat echter vast dat de orakels ver na de geboorte van Jezus zijn geschreven.

De enige authentieke bron over de betreffende voorspelling, is de vierde ecloge van Vergilius. Meer informatie daarover treft u aan op mijn webpagina ‘de vierde ecloge‘ en in mijn roman ‘De Derde Tempel‘.

de catacomben van Domitilla

catacomben Domitilla
de catacomben van Domitilla

De ‘catacomben van Domitilla’ is de naam van een antieke Christelijke begraafplaats in Rome. Het is stelsel van gangen en tombes dat is uitgehakt in de tufstenen ondergrond van de stad.

De oudste graven dateren uit de eerste en tweede eeuw van onze jaartelling; uit de periode van de Christenvervolging dus. Het was toen een klein complex. De explosieve groei van de catacomben vond pas plaats in latere eeuwen. Nadat het Christendom staatsgodsdienst was geworden, was het namelijk een eer om dicht bij de martelaren te mogen liggen.

de naam ‘catacomben van Domitilla’

De catacomben van Domitilla waren uitgegraven onder een landgoed dat het ‘domein van Domitilla’ heette. Dat landgoed lag aan de Via Ardeatina, enkele kilometers buiten de stadspoorten van het oude Rome. Het domein was verworven door Flavia Domitilla I, de vrouw van keizer Vespasianus. Zij is echter niet de naamgeefster van de catacomben. Dat is Flavia Domitilla III, de kleindochter van de keizerin, die het landgoed had geërfd.

Domitilla III was getrouwd met Flavius Clemens, de zoon van Vespasianus’ broer. Cassius Dio noemde het echtpaar in zijn ‘Romeinse geschiedenis’. Over een rechtszaak waarin ze verzeild raakten, schreef hij: “De aanklacht tegen hen luidde ‘atheïsme’, een aanklacht waarvoor velen die in Joodse gebruiken waren afgedwaald, werden veroordeeld“. De term ‘Joodse gebruiken’ behoeft hier een toelichting. In de Flavische tijd was dat een ruimer begrip dan tegenwoordig. Ook het Christendom viel daar namelijk onder.

Keizer Domitianus, de zoon van Vespasianus, was de rechter in het proces tegen het echtpaar. Normaal gesproken was hij streng voor atheïsten. Verbeuring van hun totale vermogen was de minimale straf op hun vergrijp. Flavius Clemens trof hij met een nog zwaarder lot: de doodstraf. Domitilla kwam er echter ‘genadig’ vanaf. Haar verbande Domitianus slechts, naar Pandateria.

de Romeinse uitvaart

Begraven was in het oude Rome niet gebruikelijk. Er bestaan wel wat sarcofagen uit die tijd, maar meestal werden lijken gecremeerd. Dat gebeurde op een brandstapel buiten de stad, waar de overledene in een rouwstoet naartoe werd gedragen. Dat was een bontere stoet dan we tegenwoordig kennen. Voorop liepen muzikanten, vervolgens fakkeldragers en daarna klaagvrouwen. Die laatsten vormden een erkende beroepsgroep in Rome. Bij elke uitvaart liepen er wel enkelen mee om hartverscheurend te jammeren.

Achter de klaagvrouwen liepen de slaven van de overledene. Zij droegen de zilveren maskers van zijn voorouders. Zo kon iedereen zien welke roemruchte voorgangers de dode op zijn tocht naar Hades vooraf waren gegaan. Het laatste masker was van de dode zelf. Het werd gedragen door een komiek, wiens taak het was om de betreurde met rake humor in herinnering te roepen. Na de grapjas volgde de kist, en daarachter de rouwenden.

In mijn roman ‘De Derde Tempel’ beschrijf ik zo’n rouwstoet. Het is de stoet van keizer Titus; een van de grootsten die Rome ooit heeft doorkruist.

de Christelijke begrafenis

De eerste Christenen leunden sterk op hun Joodse oorsprong. Zodoende was crematie geen optie voor hen. Ze begroeven hun doden, ook al was een riskante bezigheid. Een aanklacht wegens atheïsme was immers snel ingediend. De catacomben van Domitilla beperkten dat gevaar. De plechtigheid vond daar namelijk onder de grond en dus buiten het zicht van de overheid plaats.

Hun bezwaar tegen de lijkverbranding baseren de Christenen op I Korintiërs 15:42-44, waarin staat: “Zo is het ook met de opstanding van de doden. (…) Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid en een geestelijk opgewekt“. Kennelijk wekt God wel geestelijke lichamen op uit ontbonden lijken, maar niet uit verbrande.

In dat licht is Johannes 5:28-29 interessant. Daarin staat namelijk: “de tijd komt waarin allen die in graven liggen, zijn stem zullen horen en eruit zullen komen. Wie goed heeft gedaan, zal opstaan tot leven, wie kwaad heeft gedaan, zal veroordeeld worden.” Is het voor zondaars daarom wellicht raadzaam om zich maar te laten cremeren?

JHWH, de Godsnaam

JHWH, de godsnaam, de naam van God
JHWH, de godsnaam

God heeft een naam. Tenminste… als we de Bijbel mogen geloven. In Jesaja 42:8 lezen we: “Ik ben de HERE, dat is mijn naam“. De oorspronkelijke Joodse versie luidt hetzelfde. Alleen staat daar in plaats van “De HERE” de naam “JHWH” (יהוה).

JHWH is de naam van God en in de protestantse traditie wordt die naam steevast met de HEER of HERE vertaald. Een van de redenen voor die keuze is dat de Schriftgeleerden niet met zekerheid kunnen vaststellen hoe de naam JHWH moet worden uitgesproken.

de onuitsprekelijke naam

In de Joodse traditie wordt JHWH de ‘sjem Hameforasj’ genoemd, ofwel de onuitspreekbare naam. Geen vrome Jood zal de naam laten weerklinken. Bij het voorlezen uit de Thora zal hij de letters JHWH vervangen door het woord ‘adonai’, wat ‘heer’ betekent. Dat doet hij op grond van de Bijbelverzen Deuteronomium 5:11 en 28:58, die, in een strikte uitleg, het uitspreken van de Godsnaam verbieden.

Ook uit het tetragrammaton zelf valt niet af te leiden hoe het moet worden uitgesproken. Het Hebreeuws kende namelijk alleen maar medeklinkers. De klinkers moest de lezer er zelf bij bedenken. Pas in de middeleeuwen hebben de Masoreten de ‘teamim‘ ontwikkeld, oftewel klinkertekens. Ze plaatsten die onder of boven de medeklinkers om de uitspraak van een woord weer te geven.

uitspraakvormen van JHWH

Als Christenen het over de Godsnaam hebben, spreken ze vaak over ‘Jahwè’ of ‘Jahwee’. Dat gebruik is expliciet gemaakt in de katholieke Willibrordvertaling uit 1975, waarin de naam JHWH consequent met ‘Jahwe’ is vertaald. Maar aangezien die keuze tot protesten van Joodse kant leidde, zijn de katholieken in hun vertaling uit 1995  weer tot ‘de HEER’ teruggekeerd.

Christenen die een andere weg kiezen, zijn de Jehova’s getuigen. In hun Bijbel vertalen ze het tetragrammaton met ‘Jehova’ en die naam spreken ze met liefde uit. Ze beroepen zich bij het gebruik van de naam op Exodus 3:15 waar staat: “JHWH (…), dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht“.

De uitspraak ‘Jehova’ baseren ze op de teamim bij de Masoretische Thora. Zoals ik hierboven al uiteen heb gezet, zijn die klinkertekens pas in de middeleeuwen toegevoegd. En bij de naam ‘JHWH’ hebben de Masoreten de teamim van het woord ‘adonai’ gezet, omdat de Joden de Godsnaam daar altijd door vervangen. De uitspraak ‘Jehova’ is dus nooit zo door de Masoreten bedoeld.

de uitspraak in de oudheid

Niet altijd is de naam JHWH onuitspreekbaar geweest. Er waren tijden dat hij wel uit Joodse mond klonk; éénmaal per jaar, op Grote Verzoendag; door slechts één persoon, de hogepriester. Die deed dat in de Joodse tempel. Totdat Titus die in 70 CE verwoestte. Daarna werd het stil op de Tempelberg.

De Joodse historicus Josephus is ooggetuige geweest van zo’n moment waarop de Godsnaam door de tempel schalde. In zijn verslag over de Joodse oorlog schreef hij dat de hogepriester daarbij een tulband droeg met een gouden kroon “waarin de heilige naam gegraveerd was. Die bestaat uit vier vocalen“. Helaas is dat het enige wat hij over de Godsnaam prijsgeeft. Aangezien het Hebreeuws geen vocalen kent en Josephus zelf in het Grieks schreef, is het vermoeden dat hij op de Griekse transliteratie van de naam doelde.

Vier vocalen, dat is dus alles wat we via Josephus weten, niet welke vocalen. Het enige wat we met die informatie kunnen doen, is ermee naar soortgelijke woorden in de Bijbel kijken. Het meest verwante woord is JHWDH (יהודה); in het Nederlands vertaald ‘Juda‘. Het is de naam van een oud Joodse koninkrijk dat Jeruzalem als hoofdstad had, en het betekent ‘prijzen’ of ‘loven’. Het is trouwens ook de naam van de stamvader van Jezus. De Hebreeuwse uitspraak van JHWDH is Jehoeda. Naar analogie daarvan zou JHWH als Jehoewa uitgesproken kunnen zijn.

de kolom van Soleb

Een nog oudere bron is de kolom van Soleb, een Egyptische zuil uit 1500 BCE. In de zuil is de onderstaande inscriptie uitgehakt. Het is een verwijzing naar de destijds nomadische Joden. Volgens vooraanstaande Egyptologen is het duidelijk dat de tekens y, h en w3 samen de Godsnaam vormen.

kolom Soleb, Godsnaam, JHWH
inscriptie in de kolom van Soleb

Over de uitspraak van Egyptische klinkers is over het algemeen ook weinig bekend. Maar dat is gelukkig anders waar het de transcriptie van buitenlandse namen betreft. In dat geval maakten de Egyptenaren namelijk gebruik van ‘maters lectionis‘ ofwel ‘leesmoeders’. Dat zijn medeklinkertekens die een klinker symboliseren. In dat systeem stond y voor i, w voor oe en 3 voor a. Ook bij de Egyptenaren klinkt de Godsnaam dus als Jehoewa.

JHWH in De Derde Tempel

In mijn roman ‘De Derde Tempel’ komt een scène voor waarin Titus, na zijn verovering van Jeruzalem, aan Josephus vraagt, hoe de naam van de God der Joden luidt. In de hoop daarmee zijn tempel te redden, spreekt Josephus de naam uit. Ik lang nagedacht over de vraag hoe ik dat moment het beste kon verwoorden. Uiteindelijk heb ik voor de volgende formulering gekozen: “De naam van de Heer is … JHWH!!!“.

het Colosseum

het Colosseum, Amfitheatrum Flavium, Flavisch Amfitheater
het Colosseum

Het Colosseum is de drukst bezochte  toeristenattractie ter wereld en een van de zeven nog bestaande wereldwonderen.

Het gebouw diende als arena en had een capaciteit van 50.000 toeschouwers. Daarmee was het het grootste amfitheater van de oudheid.

In tegenstelling tot de Griekse theaters was het gebouw volledig vrijstaand. Dat kon, doordat de Romeinen een revolutionair nieuw bouwmateriaal hadden ontdekt: beton, waar ze vulkanische as aan toevoegden.

de bouw en financiering

In 70 CE besloot keizer Vespasianus tot de bouw van het Colosseum. Of eigenlijk van het Amfitheatrum Flavium, want zo noemde hij het, naar zichzelf: Titus Flavius Vespasianus. De keizer koos een bijzondere locatie voor zijn arena, namelijk de plaats waar het paleis van zijn voorganger Nero had gestaan. Dat deed hij om politieke redenen. Hij wilde: 1. alle herinneringen aan de afgezette despoot uitwissen en 2. diens grond symbolisch aan het volk teruggeven.

Bij de westelijke hoofdingang van het gebouw is een inscriptie aangebracht die informatie geeft over de herkomst van het geld dat Vespasianus voor de bouw gebruikte. Hoewel de inscriptie later is overschreven, heeft professor Alföldy de originele tekst weten te reconstrueren. Uit die reconstructie blijkt dat Vespasianus het Colosseum heeft laten bouwen uit oorlogsbuit. Die buit kan slechts in één oorlog zijn vergaard: de Joodse oorlog, die in 70 CE door de Romeinen is gewonnen.

De keizerlijke geschiedschrijver Josephus schreef over die buit uit Judea. In zijn verslag over de Joodse oorlog lezen we dat Vespasianus “dankzij de voorzienigheid over een enorme rijkdom kon beschikken“. Die rijkdom bestond niet alleen uit geld en kostbaarheden, maar ook uit slaven. In groten getale hebben zij aan het Colosseum meegebouwd.

de gladiatorengevechten

Vespasianus heeft de opening van zijn amfitheater niet meer meegemaakt. Zijn zoon en opvolger Titus heeft het Colosseum afgebouwd en ingewijd. De Romeinse historicus Cassius Dio beschreef die inwijding. De alinea’s hieronder zijn gebaseerd op zijn werk.

Een belangrijk onderdeel van de inwijding vormden de gladiatorengevechten. Bekend zijn de tweekampen, vaak tussen ongelijk bewapende strijders. Slechts zelden leidden die tot de dood. De meeste duels eindigden door verwonding en opgave.

Daarnaast stonden de gladiatoren ook in linies tegenover elkaar. In twee teams vochten ze dan een infanterieslag uit. Gedurende die strijd toonden de vechtersbazen niet alleen hun individuele kwaliteiten; ook een goede onderlinge samenwerking was onontbeerlijk voor de overwinning.

ander vermaak in het Colosseum

Cassius Dio spreekt niet van ‘het Colosseum’ of van ‘het Amfitheatrum Flavium’, maar van ‘het jachttheater’. Een groot deel van de optredens bestond namelijk uit jacht op wilde dieren. Alleen al tijdens de inwijding werden er 9.000 dieren gedood. Volgens Dio traden niet alleen mannen als jager op, maar ook vrouwen. Bijna verontschuldigend voegde hij daaraan toe, dat de dames niet tot de hoogste stand behoorden.

De meest opmerkelijke voorstelling die Dio beschrijft, is een zeeslag: “Plotseling liet Titus de arena vollopen met water en bracht paarden en stieren naar binnen, die zich in dat element net zo thuis voelden als op land. Ook voeren er mensen op schepen de arena in die een zeegevecht tussen de Korkyreeërs en de Korinthiërs naspeelden“.

Zeeslagen waren populair bij de Romeinen. Ze lieten er speciale “naumachieën” voor uitgraven. Dat waren kunstmatige meren waar tribunes omheen werden gebouwd. Meestal werden er Griekse oorlogen in nagespeeld. De Romeinen zelf waren namelijk geen al te goede zeevaarders.

executies

Tot de vele shows die de keizer aan het volk aanbood, behoorden ook de executies. Vaak vulden die de gaten tussen de jachtpartijen en de gladiatorengevechten op. In twee groepen werden de veroordeelden dan de arena ingedreven. De eerste groep bestond uit Romeinse burgers, de tweede uit mensen zonder burgerrecht. De burgers werden “genadig” behandeld: ze stierven door het zwaard. De overigen bereikten hun einde op een pijnlijkere wijze.

Zoals bekend is uit de verhalen over de Christenvervolging kenden de Romeinen drie manieren om met minder bedeelde misdadigers om te gaan: voor de leeuwen werpen, levend verbranden, of kruisigen. Of het publiek een voorkeur had, is onbekend. Voor de veroordeelden lag dat anders, want de kruisiging was veruit de akeligste van de drie executiewijzen. Het duurde namelijk wel drie dagen voordat de dood daarbij intrad. Al die dagen hing de veroordeelde aan zijn polsen en enkels te creperen.

Vanwege haar gruwelijke karakter was de kruisiging de aangewezen dood voor opstandige slaven. Slaven bezaten namelijk niets, zelfs geen familie, daarom moesten de Romeinen ervoor zorgen dat ze toch nog wat te verliezen hadden.

In mijn roman ‘De Derde Tempel‘ beschrijf ik zo’n kruisiging. Clemens wordt als slaaf gedwongen ernaar te kijken. “Omdat onze meester het afschuwelijk zou vinden als een van ons zoiets overkwam“, zegt zijn bewaker. “Om me te knechten, bedoel je“, antwoordt hij.

het kerstfeest

kerst, kerstviering, geboorte Jezus, het kerstfeest
kerststal

Zoals iedereen weet, viert op 25 december de hele westerse wereld feest, het kerstfeest.

Het woord “kerst” in “kerstfeest” stamt etymologisch af van “Christus”. Het kerstfeest is dus niets meer of minder dan het feest ter ere van Jezus Christus.

“Ter ere van de gebóórte van Jezus”, zullen de meeste mensen zeggen. Zoals u aan de kerststal op de afbeelding kunt zien, is dat juist. Het is alleen de vraag of Jezus wel daadwerkelijk op 25 december geboren is. De Christelijke kerk heeft die dag namelijk pas halverwege de vierde eeuw  tot Zijn officiële feestdag aangewezen.

het kerstverhaal in de Bijbel en het vroege Christendom

“De herdertjes lagen bij nachte, zij lagen bij nacht in het veld.” Iedereen kent het liedje wel. Het is ontleend aan het evangelie van Lucas (2:8) en dat is de enige aanduiding die we hebben over het seizoen waarin Jezus geboren is.

Wanneer de betreffende scène zich afspeelde, staat nergens geschreven, maar het kan onmogelijk op 25 december zijn. Rond die tijd komt de nachttemperatuur in Bethlehem namelijk nauwelijks boven het vriespunt uit en dat is te koud voor herders en schapen om buiten te blijven. Bovendien is het regenseizoen dan al lang en breed begonnen.

De vroege Christenen vierden de geboorte van Jezus dan ook niet in de winter. De schrijver Clemens van Alexandrië (ca. 200 CE) noemt drie datums waarop zij dat wel deden: 19 april, 20 april en 20 mei. De eerste gedachte die bij mij opkwam toen ik die drie verschillende datums las, was dat de vroege Christenen het ook al niet wisten. Pas onlangs kwam er een alternatieve verklaring in me op: kalenderverschillen.

de Joodse kalender

Jezus was een Jood en de Joodse kalender was een maankalender. Dat hield in dat de maand begon en eindigde bij nieuwe maan. Twaalf van die maanden duren bij elkaar 354 dagen en om de kalender bij de jaarkalender te laten aansluiten, moest er om de paar jaar een schrikkelmaand worden ingevoegd. Daardoor kon een Joodse datum in een bepaald jaar wel 29 dagen verder liggen dan in een ander jaar.

Dat is onvoldoende om de verschillende datums van Clemens van Alexandrië te verklaren, zult u zeggen, want de uiterste liggen geen 29, maar 31 dagen uit elkaar. Dat klopt. In onze huidige tijd had een dergelijk verschil dan ook nooit kunnen ontstaan. In de tijd van Jezus was dat echter anders. Destijds had men namelijk nog geen gedetailleerde astronomische tabellen, destijds bepaalde men de kalender op grond van observatie met het blote oog.

Zowel het begin van een nieuwe maand, als het moment waarop een schrikkelmaand moest worden ingevoegd, werden bepaald door het moment waarop men, vanaf de muren van Jeruzalem, de nieuwe maansikkel zag. Daardoor was, zeker in bewolkte tijden, een afwijking van een dag geen uitzondering. Daar komt nog bij, dat aan het begin van de derde eeuw het “Juliaanse jaar” al anderhalve dag verschoven was t.o.v. het tropische jaar (waarover hieronder meer). Met die twee wetenswaardigheden in het achterhoofd is het niet uitgesloten dat Jezus op 18 of 19 Iljar van de Joodse kalender geboren is.

25 december en de invoering van de Juliaanse kalender

In de klassieke oudheid werden veel Goden op 25 december vereerd. Bekend zijn de feesten ter ere van de Perzische zonnegod “Mithras” en de Romeinse “Sol Invictus” (= onoverwinnelijke zon). In zijn “Saturnalia” voegt Macrobius daar ook nog eens de Egyptenaren aan toe. Die vierden op 25 december de geboorte van de nieuwe zon.

Dat al die feesten samenvielen, is geen toeval. Want toen Julius Caesar in 45 BCE zijn nieuwe “Juliaanse” kalender invoerde, viel de kortste dag van het jaar op 24 december. En dat maakte 25 december dus de eerste dag dat het licht weer toenam; de winterzonnewende dus, een feest dat al diep in de prehistorie door de mens gevierd werd. Het indrukwekkendste bewijs daarvan vormt de graftombe van Newgrange (uit 3200 BCE).

De invoering van de nieuwe kalender door Caesar was een revolutionaire vooruitgang. We gebruiken die kalender nog tot op de dag van vandaag. Slechts op één detail wijkt de Juliaanse kalender af van onze huidige tijdrekening: het aantal schrikkeldagen.

Caesar had bedacht dat er eens in de vier jaar een extra dag aan het jaar moest worden toegevoegd (de 29ste februari). Het gemiddelde Juliaanse jaar duurde daardoor 365,25 dagen. Dat was een redelijke benadering van het tropische jaar, maar net iets teveel van het goede. Per duizend jaar liep de kalender namelijk 7,81 dagen voor. Caesar was op de hoogte van die afwijking, maar had daar vrede mee. Duizend jaar is een lange tijd, zal hij gedacht hebben.

kerst en de kalender van Philocalus

Voordat ik dieper op die 7,81 dagen in ga, wil ik eerst aandacht besteden aan de kalender van Philocalus. Die is interessant omdat het de oudste jaarkalender is die volledig aan ons is overgeleverd. Hij stamt uit 354 CE.

In deel 6 van de kalender staan de feesten die de Romeinen in dat jaar vierden. Op 25 december wordt het feest “N. Invicti.CM.XXX” vermeld. “CM.XXX” staat hier voor het aantal wagenraces dat op die feestdag moet worden gehouden (in dit geval 30). Wat “N.Invicti” betekent is niet geheel duidelijk. Sommige Christenen menen dat “N.Invicti” voor Jezus staat. Ikzelf acht dat onwaarschijnlijk. Ten eerste omdat deel 6 van de kalender alleen Romeinse feesten noemt, geen Christelijke. En in de tweede plaats omdat Christelijke heiligen destijds (en nu nog steeds trouwens) niet met wagenraces werden vereerd. Dat zou heiligschennis zijn.

De optie dat “N.Invicti” een aanduiding is voor Jezus, is ook in tegenspraak met deel 12 van de kalender. Helemaal bovenaan staat daar namelijk (op 8 januari): “natus Christus in Betleem Iudeae”, oftewel de geboorte van Jezus te Betlehem. Waar die datum 8 januari opeens vandaan komt, is onduidelijk. Toevalligerwijs viert ook de Russisch Orthodoxe kerk haar kerstfeest op die dag, maar tussen die twee vieringen zit geen verband.

vaststelling kerstfeest op 25 december

Een andere toevalligheid was, dat paus Liberius exact in hetzelfde jaar als waarover de kalender van Philocalus gaat (354 CE), besloot om het kerstfeest op 25 december te vieren. Hij riep daarvoor een speciale mis in het leven, de zogenaamde kerstmis.

De motieven die de paus voor zijn besluit had, zijn onbekend. Wel is bekend dat Liberius een verklaard vijand was van het Arianisme. Liberius geloofde in de heilige drie-eenheid; wat inhoudt dat God, Jezus en de Heilige geest één en ondeelbaar zijn. De Arianisten, die destijds de meerderheid binnen de kerk vormden, geloofden daar niet in. Volgens hen was Jezus niet gelijkwaardig, maar ondergeschikt aan God. Het is mogelijk dat Liberius de nieuwe mis op 25 december heeft willen gebruiken om de status van Jezus naar het door hem gewenste niveau te tillen.

kerst in de Gregoriaanse kalender

Zoals ik hierboven al schreef, week de Juliaanse kalender 7,81 dagen per duizend jaar af van het tropische jaar. Op 4 oktober 1582 was de afwijking opgelopen tot bijna 13 dagen. Voor het kerstfeest vormde dat geen probleem. Maar wel voor het paasfeest, omdat de datum daarvan afhankelijk is van het moment waarop de zon door de equinox gaat.

Als de kerk de Juliaanse kalender was blijven volgen, was het kerstfeest steeds verder opgeschoven in de richting van het paasfeest. Om dat probleem op te lossen besloot paus Gregorius XIII twee dingen: 1. per vier eeuwen zouden er drie schrikkeldagen minder zijn (de eerste drie vervielen in 1700, 1800 en 1900); en 2. direct op donderdag 4 oktober volgde vrijdag 15 oktober. Met die laatste wijziging verdwenen er in één klap tien dagen.

Dat het er maar tien zijn, is opmerkelijk. De Juliaanse kalender liep namelijk 13 dagen voor. Het zal ongetwijfeld een bewuste keuze van de paus zijn geweest. Kennelijk wilde hij niet dat het kerstfeest zou samenvallen met de winterzonnewende. De drijfveer van die wens heb ik echter nooit kunnen achterhalen.

tot slot

Hoewel ik een hele blog aan de datum 25 december wijd, realiseer ik me dat de dag waarop we het kerstfeest vieren, van ondergeschikt belang is. De kerstboodschap staat voorop. Vrede! Niet alleen tussen mensen, maar ook binnen ons eigen hart. Daar kunnen we niet genoeg aandacht aan besteden. Misschien moeten we daarom de onduidelijkheid rond het moment van Jezus’ geboorte maar gebruiken om van elke dag een kerstfeest te maken.

de Vredestempel

De Vredestempel, de tempel van de vrede, tempel Pax, templum Pacis
de Vredestempel

Volgens Plinius de Oudere behoorde de Vredestempel tot de drie mooiste gebouwen ter wereld. Slechts de Basilica Aemilia en het Forum van Augustus evenaarden het heiligdom in pracht.

Ruim een eeuw later bleek het bouwwerk nog niets van zijn glans te hebben verloren. De historicus Herodianus roemde de tempel als “mooiste en grootste gebouw van de stad”. Volgens zijn beschrijving was het ook “de rijkste van alle tempels, volgepakt met gouden en zilveren wijgeschenken …”

de bouw van de tempel

Keizer Vespasianus was de bouwheer van de tempel. In 71 CE  nam hij het besluit daartoe. Volgens Flavius Josephus, de keizerlijke geschiedschrijver, kon Vespasianus een enorm kapitaal voor de bouw vrijmaken. Dat kapitaal had hij verworven tijdens de Joodse oorlog. Als straf voor hun opstand had de keizer de Joden namelijk alles afgenomen, niet alleen hun goederen, ook hun vrijheid.

De Joodse gevangenen vormden een voornaam deel van de buit die de Romeinen uit Judea meevoerden. Een goede slaaf bracht namelijk meer dan een jaarsalaris op. Omdat de transportkosten in de oudheid hoog waren, werden de meeste Joodse slaven in het Midden-Oosten verkocht. Alleen de allersterkste of -mooiste slaven vonden hun weg naar Rome. Daar werkten ze in huishoudens, of aan bouwprojecten als het Colosseum en de Vredestempel.

de inrichting van de Vredestempel

Centraal in de Vredestempel stond Pax, de godin van de vrede. Haar beeld was echter niet het enige waarvoor de mensen naar de tempel kwamen: de tempel hing namelijk vol met kunst. Josephus schrijft daarover: “alle kunst die vroeger verspreid was over de wereld, (…) werd hier verzameld en tentoongesteld”. Volgens Plinius betrof het met name kunst die door Nero geroofd was om zijn paleis te vullen.

tempelschatten, vredestempel, triomftocht titus, menora
triomftocht Titus

Maar ook andere roofkunst vond haar weg naar tempel. Het bekendste voorbeeld is wel de menora uit de Joodse tempel, die Titus tijdens zijn triomftocht meevoerde (zie de afbeelding hiernaast). En er stonden nog meer Bijbelse voorwerpen. Volgens Josephus kreeg de hele inventaris van de Joodse tempel in de Vredestempel een plek. Alleen de thorarol en de voorhang van het Heilige der Heiligen niet. Vanwege hun religieuze belang werden die in het keizerlijk paleis bewaard.

waarom liet Vespasianus de Vredestempel bouwen?

De Romeinse historicus Suetonius schrijft in zijn biografie over Vespasianus: “over heel de Oriënt had zich een oud geloof verspreid dat mensen uit Judea zich in die tijd meester zouden maken van de wereldheerschappij”. Uit de Bijbel weten we dat ook de Joden dat geloof aanhingen. Zij noemden hun komende wereldheerser “de vredevorst”, of “de messias”. Keizer Vespasianus nam dat oosterse geloof serieus en zijn beleid was erop gericht om zelf die titel “vredevorst” te verwerven. Hij hoopte daarmee een stevig fundament onder zijn keizerschap te leggen.

Op verschillende manieren probeerde hij zijn onderdanen voor zijn aanspraak te winnen. Om te beginnen natuurlijk door de Joodse oorlog te winnen: na de val van Jeruzalem heerste er vrede in het hele rijk. Vespasianus ging er prat op dat hij die vrede had gebracht. En na afloop van de oorlog sloot hij de deuren van de tempel van Janus. Dat was een oude Romeinse traditie. Tijdens een langdurige vrede werd de oorlogsgod opgesloten in zijn tempel. Zijn hulp was niet meer nodig.

De inwijding van de Vredestempel (in 75CE) vormde het sluitstuk van het keizerlijk beleid. Het was een tempel gewijd aan Pax, de personificatie van de vrede. Maar, zoals ik hierboven al schreef, kreeg niet alleen het beeld van de godin er onderdak. Vespasianus bracht ook alle schatten uit de verwoeste Joodse tempel erin onder. De symbolische waarde van die daad was groot: de Joden werden geïntegreerd in het rijk; om hun offerdienst te kunnen blijven uitvoeren, werden ze afhankelijk van de keizer.

Vespasianus als messias

De vraag is natuurlijk of het keizerlijk beleid ook werkte. De Romeinse historicus Tacitus schreef over het geloof in de komende messias: “deze mysterieuze profetie had in werkelijkheid naar Vespasianus en Titus gewezen (…)”. In de Flavische tijd waren er maar weinig Romeinen die aan die uitleg twijfelden. Niemand waagde het om Vespasianus’ aanspraken op de titel “vredevorst” te betwisten. En daar profiteerden ook de zoons van Vespasianus van: zowel Titus als Domitianus zijn later tot keizer uitgeroepen.

Maar hoe dachten de Joden over Vespasianus? De enige stroming die de oorlog had overleefd, waren de Farizeeën. En hoewel die het keizerlijk gezag aanvaardden, zijn er geen aanwijzing dat zij meegingen in de messianistische ambities van de keizer. Eén Jood deed dat wel: Flavius Josephus. In zijn verslag van de Joodse oorlog schreef hij over de messias: “Zij (= de Joodse opstandelingen, red.) dachten dat die profetie op henzelf sloeg, en veel van hun wijze mannen zijn daardoor op een dwaalspoor beland, terwijl het orakel toch overduidelijk naar de heerschappij van Vespasianus verwees”. Deze opmerking is de keizer niet ontgaan. Als dank ontving Josephus een landgoed, een staatstoelage en een standbeeld. In mijn roman “De Derde Tempel” komt dat standbeeld in de Vredestempel te staan, pal naast de menora, tot verbijstering van de andere Joden.

het keizerlijk paleis

de Palatijn, het paleis van de Romeinse keizers
het keizerlijk paleis

Het Nederlandse woord ‘paleis’ is ontleend aan het Oudfranse ‘palais’ en dat stamt weer van het Latijnse ‘Palatium’.

Oorspronkelijk was ‘Palatium’ de naam van een van de zeven heuvels waarop Rome was gebouwd. In het Nederlands noemen we die heuvel ‘de Palatijn’.

Aangezien het de meest centrale heuvel van de stad was, besloot Augustus, Rome’s eerste keizer, op de top ervan te gaan wonen. Daartoe kocht hij een bescheiden huis van slechts twee verdiepingen aan.

de Palatijn in de Romeinse mythologie

De centrale ligging van de Palatijn was niet de enige reden waarom Augustus zich er vestigde: ook de mythologie speelde een rol. Zijn huis lag namelijk recht boven de grot waar, volgens de legenden, Remus en Romulus, door een wolvin gezoogd, opgroeiden tot de stichters van Rome.

Om de mythische waarde van zijn woning verder te verhogen liet Augustus ernaast een tempel ter ere van Apollo bouwen. Die tempel werd de bewaarplaats voor de sibillijnse boeken: de drie heilige Romeinse boekrollen die alleen door een select gezelschap van priesters mochten worden ingezien. Op die manier trok Augustus niet alleen de wereldlijke, maar ook de geestelijke macht naar zich toe.

En ook andere religies vonden hun plek op de Palatijn. Zo bracht Titus na de inname van Jeruzalem de voorhang en de thorarol uit de Joodse tempel mee naar het paleis. Volgens de Bijbel scheurde die voorhang op het moment dat Jezus stierf aan het kruis. Helaas blijkt uit de Romeinse bronnen die de voorhang beschrijven, niets over een scheur. Wel vermelden ze dat de stof met bloed besmeurd was.

het paleis van de Julische keizers

Na zijn dood werd Augustus als keizer opgevolgd door een reeks familieleden: Tiberius, Caligula, Claudius en Nero. Al die keizers bleven op de Palatijn wonen en stuk voor stuk breidden ze het paleis uit. Tijdens Nero’s regering had het al een oppervlakte van 18.000 vierkante meter.

In 65 CE brak een brand uit die Rome grotendeels verwoestte. Ook de Palatijn werd niet gespaard. Volgens verschillende historici zat Nero zelf achter de brand. Hard bewijs daarvoor is echter nooit geleverd. Feit is wel dat Nero Rome op tijd ontvluchtte. Net voordat de brand uitbrak, vertrok hij naar zijn villa in Antium. Pas na enkele dagen keerde hij terug om de schade op te nemen. Volgens Suetonius deed hij dat vanuit de toren van Maecenas, waar hij in zijn theaterkostuum “de inname van Troje” zong.

Na de brand lagen grote delen van Rome braak. Nero greep die gelegenheid aan om een indrukwekkend project te realiseren: de Domus Aurea (het Gouden Huis). Dat paleis had een oppervlakte van wel 80 hectare en strekte zich uit over de flanken van vier heuvels en het daartussen gelegen dal. In het midden lag een groot kunstmatig meer en de gebouwen eromheen werden gescheiden door uitgestrekte weiden en bosschages waar dieren rondliepen.

de Palatijn onder de Flavische keizers

Een jaar na de dood van Nero kwam Vespasianus aan de macht. Om elke herinnering aan zijn voorganger uit te wissen, brak hij de Domus Aurea af en bouwde op de plek van het centrale meer zijn Colosseum.  Zelf ging hij op de Palatijn wonen, in het gerestaureerde paleis van de Julische keizers. Dat bleek groot genoeg voor alle representatieve functies van de keizer.

Totdat Vespasianus’ zoon Domitianus de scepter overnam. Net als Caligula en Nero leed Domitianus aan grootheidswaanzin. Hij liet zich “de Heer en God” noemen en met die status paste hij niet meer in “zo’n armoedig paleisje”. Daarom liet hij aan de zuidkant van de Palatijn het paleis uitbreiden met de Domus Flavia.

Het grootste deel van die uitbreiding bestond uit ontvangstzalen. De “Basilica” gebruikte Domitianus om recht te spreken en met zijn raad van adviseurs te overleggen, en in de “Aula Regia” (de troonzaal) hield hij audiëntie. Beide zalen hadden een, voor die tijd, enorme afmeting. Omdat ze het hart van het paleis vormden, spelen veel scènes in mijn roman “De Derde Tempel” zich daar af.

Maar bij die twee pronkzalen hield het niet op. Tegen het einde van zijn regime had Domitianus alle andere bewoners van de Palatijn verdreven en op de vrijgekomen plekken onder meer een stadion, een tempel voor Jupiter, een vijver met eiland en een eetzaal gebouwd. Die eetkamer stond bekend als “de eetkamer van Jupiter”. Volgens Statius waren de zuilen ervan sterk genoeg om de hemel en de goden te dragen, en pasten er wel duizend tafels in.

Kenmerkend voor Domitianus was het peristilium dat hij liet bouwen. Alle wanden van deze met zuilengangen omgeven binnenplaats liet hij met spiegelend marmer bekleden, zodat hij altijd kon zien wat er achter zijn rug gebeurde. Met die voorzorgsmaatregel heeft hij echter niet kunnen voorkomen dat hij uiteindelijk werd neergestoken.

de Tempelorde

Tempelorde, Orde van de Tempeliers
zegel van Orde van de Tempeliers

De Tempelorde is een ridderorde die tijdens de kruistochten een mythische status verwierf. Die status is ze nooit meer kwijtgeraakt. Bestsellers als de ‘Da Vinci Code‘ en ‘De naam van de roos‘ dichten de orde ook in deze tijd nog bijzondere macht toe. Een macht die volgens de schrijvers verbonden is aan de heilige graal.

De volledige naam van de orde luidde Pauperes commilitones Christi Templique Salomonici, oftewel Orde van de arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo. Die naam ontleenden de ridders aan hun gelofte van armoede en aan de plaats van hun hoofdkwartier: de Tempelberg.

het ontstaan van de Tempelorde

In 1099 veroverden de kruisridders Jeruzalem. Daarna trokken vele Christelijke pelgrims naar het Heilige Land. Dat was gevaarlijk, want onderweg waren alleen de steden in Christelijke handen. Het platteland ertussen werd geplaagd door Islamitische bendes. Die beroofden de pelgrims niet alleen, maar doodden ze ook. Soms met honderden tegelijk.

In 1119 nam de edelman Hugo van Payns het initiatief tot het oprichten van een ridderorde. Het doel van de orde was de pelgrims te beschermen. Vanwege het religieuze karakter ervan zette hij de orde op als een monnikenorde. De leden waren dus tegelijkertijd ridder en monnik. Vechten en bidden gingen tijdens de kruistochten goed samen.

Als monniken moesten de edellieden die tot de orde wilden toetreden, een gelofte van armoede af te leggen. Elk privébezit was verboden. Zolang ze dienst deden, werd hun vermogen door de Tempelorde beheerd.

het succes van de orde

Het idee van de orde sloeg aan en vond een pleitbezorger in de vooraanstaande geestelijke Bernard van Clairvaux. Die  wist voor elkaar te krijgen dat paus Honorius II de Tempelorde erkende. In 1139 verleende paus Innocenius II de orde zelfs een groot aantal privileges. Zo kregen de ridders vrijstelling van belasting en mochten ze ongehinderd elke landsgrens passeren.

Dankzij die privileges en dankzij haar heldere en sympathieke doel werd van de Tempelorde snel populair. Veel rijke edelen traden toe. Vanwege de gelofte van armoede, moesten die edelen hun vermogen aan de orde in beheer geven. Daardoor groeide ze uit tot de rijkste instelling van Europa. Het enorme vermogen, de belastingvrijstelling en het ongehinderd kunnen reizen maakten de orde de ideale bankier.

Halverwege de twaalfde eeuw was de orde daar zo succesvol mee, dat ze overal in Europa landerijen, kerken en kastelen bezat. Het was een dekkend netwerk van bankfilialen waar de Europese burger met zijn spaargeld of voor internationale betalingen naartoe kon. De Orde van de Tempeliers was daarmee de eerste Europese multinational.

de Tempeliers op de Tempelberg

Bij haar oprichting kreeg de Tempelorde van koning Boudewijn II van Jeruzalem toestemming haar hoofdkwartier op de Tempelberg te vestigen. Ze deed dat in de Al-Aqsamoskee die de Tempeliers zelf de Tempel van Salomo noemden. Ze meenden namelijk dat op de plek van de Al-Aqsamoskee ooit de Bijbelse tempel had gestaan.

Volgens de verhalen zijn de Tempeliers in de berg gaan graven. Zowel Umberto Eco als Dan Brown schrijven dat ze daarbij op de heilige graal zijn gestuit en aan het bezit daarvan hun grote macht hadden te danken. Daarmee borduren de twee voort op een eeuwenlange literaire traditie. Aan het begin van de 13e eeuw schreef Wolfram van Eschenbach namelijk al in zijn Parzival dat de heilige graal werd bewaakt door de “Templeisen”. Enig bewijs voor hun bezit van de heilige graal is echter nooit gevonden. Het is zelfs onduidelijk of de graal ooit heeft bestaan.

Het is wel zeker dat de Tempeliers “het ware kruis”bezaten. Dat was een stuk hout waarvan beweerd werd dat het afkwam van het kruis waaraan Jezus was gestorven. Het hout was in goud gegoten en werd vereerd als relikwie. Tijdens elke veldslag ging het de ridders vooraf. Het maakte hen onoverwinnelijk dachten ze. Tot de slag bij Hattin in 1187. Daar leden de Christenen een gevoelige nederlaag. Het grootste deel van het leger ging verloren en ook het ware kruis.

vrijdag de dertiende

Ook viel Jeruzalem in Islamitische handen. Daardoor nam de populariteit van de Tempelorde aanzienlijk af. Toch bleef hun macht groot. Dat kwam omdat ze als met leningen vorsten aan zich hadden verplicht. Hun ambitie reikte echter verder dan het bankieren. Net als de Hospitaalridders wilden ze een eigen staat. De Franse koning Philips de Schone zag dat als bedreiging. Daar had hij twee redenen voor: het zwaartepunt van de orde lag in Frankrijk en Philips stak tot over zijn oren bij de Tempeliers in de schuld.

In de vroege ochtend van vrijdag 13 oktober 1307 liet Philip gelijktijdig alle Tempeliers in Frankrijk arresteren. De beschuldigingen waren divers: spugen op het christelijk kruis, ontkenning van Jezus, homoseksualiteit, fraude en corruptie. In de gevangenis liet Philip de Tempeliers martelen. Tijdens die martelingen bekenden velen de misdaden waarvoor ze waren aangeklaagd.

Op grond van die bekentenissen vaardigde paus Clemens V een bul uit. Daarin droeg hij de andere Europese vorsten op ook in hun land de Tempeliers te arresteren. De paus wilde slechts een onderzoek naar de waarheid van de aanklachten instellen. Onder druk van Philips de Schone besloot hij echter de Tempelorde te ontbinden.

de rehabilitatie van de Tempelorde

Met die ontbinding eindigde de vervolging van de Tempelorde niet. Op 18 maart 1314 werden de leiders van de orde als ketters verbrand. Volgens de legenden riep de grootmeester van de Tempeliers vanuit de vlammen: “God weet wie gezondigd heeft en Hij zal de zondaars snel treffen”. Nog hetzelfde kalenderjaar stierven zowel Philips de Schone als paus Clemens V.

In 2001 dook in de geheime archieven van het Vaticaan het Chinon-perkament op. Dat perkament bevat de verklaringen die door de pauselijke inquisiteur waren afgenomen van de leiders van de Tempelorde. Uit aantekeningen op het perkament blijkt dat Clemens V, op grond van de verklaringen en het verdere onderzoek, had besloten de leden van de orde vrij te spreken. Het perkament is gedateerd 17-20 augustus 1308. Philips de Schone was niet blij met die vrijspraak. Daardoor moest hij namelijk alle goederen die hij verbeurd had verklaard, weer aan de orde teruggeven. En dat kon hij niet omdat hij het geld al aan zijn oorlogen had besteed. Hij zette daarom zoveel druk op de paus, dat die besloot zijn standpunt te herzien.

Op grond van het perkament en onder druk van de nabestaanden van de ordeleden heeft het Vaticaan de orde in 2007 gerehabiliteerd. Bij het 300-jarige jubileum van de arrestatie heeft het een boek uitgegeven met de facsimile’s van alle belangrijke stukken uit het archief.

De Tempelorde speelt in mijn roman ‘De Derde Tempel‘ geen rol. Ik heb de informatie hier slechts opgenomen om het verhaal van de Tempelberg compleet te maken. Nadat de Tempelberg weer in Islamitische handen kwam, is er weinig meer veranderd. Met deze pagina houdt mijn geschiedenis van de Tempelberg dus op.

de vierde bucolica

Titus, de Messias, vierde bucolica
de Messias

Zo’n veertig jaar voor de geboorte van Jezus schreef Vergilius zijn beroemde vierde bucolica. Hieronder citeer ik de bekendste regels uit dat gedicht.

Nu breekt de eindtijd aan,
die het lied van Cumae verkondigt:
de reeks era’s start opnieuw.
Ook keert weer de maagd
en het gouden rijk van Saturnus
Maar wat nieuw zal zijn,
is dat van grote hoogte,
een zoon uit de hemel neerdaalt’.

Toen ik die regels voor het eerst las, kon ik me goed voorstellen dat de Christenen hier een aankondiging van de geboorte van Jezus in lazen.

In de derde eeuwse bracht de schrijver Lactantius de vierde bucolica onder Christelijke aandacht. In zijn boek over het komende Koninkrijk Gods citeerde hij onder meer de volgende regel uit het gedicht: ‘geen kudde vreest dan nog machtige leeuwen’. Die voorspelling kende hij al uit het oude testament waarin de Joodse profeet Jesaja over het Koninkrijk Gods profeteerde dat ‘de leeuw stro zal eten als het rund‘. Lactantius beweerde toen niet dat Vergilius de komst van Jezus voorspeld had. Hij gebruikte de overeenkomsten tussen Vergilius en Jesaja slechts om aan te tonen dat de voorspelling van het Christelijke vrederijk correct was. Verdere conclusies verbond hij er niet aan.

Een eeuw later gaat kerkvader Augustinus wel een flinke stap verder door onomwonden te verklaren dat Vergilius in zijn vierde bucilica de geboorte van Jezus had aangekondigd. Dat standpunt raakte in de middeleeuwen dermate geaccepteerd dat het Vaticaan besloot de heidense dichter Vergilius heilig te verklaren. Maar was dat terecht? Om die vraag te beantwoorden, wil ik vier elementen uit het gedicht onder de loep nemen: de zoon, de maagd, de reeks era’s en het gouden rijk van Saturnus.

het gouden rijk van Saturnus

In plaats van op het Koninkrijk Gods wachtten de Romeinen op het gouden rijk van Saturnus. Zijn dat verschillende namen voor hetzelfde begrip, of verstonden de Romeinen daar wat anders onder? Saturnus heerste ooit als god over de aarde, maar werd verslagen door zijn zoon Jupiter, de Romeinse oppergod. De Romeinen verlangden echter terug naar de heerschappij van Saturnus. Waarom? De Romeinse schrijver Macrobius zegt er het volgende over: “Saturnus was geboren uit de hemel zelf”, “er was overvloed”, “slavernij bestond niet” en “alle eigendom was gemeenschappelijk”. Is dat wat Christenen onder het Koninkrijk Gods verstaan? De vroege Christenen wellicht wel, maar in de huidige tijd refereert ‘gemeenschappelijk eigendom’ eerder naar het aardse paradijs dat Karl Marx voor ogen stond.

de reeks era’s

Evenals de Maya’s geloofden de Romeinen dat de geschiedenis cyclisch was en zich dus telkens zou herhalen. De geschiedenis begon met het gouden tijdperk van Saturnus, waarin alles in overvloed was. Daarna kwam Jupiter aan de macht en begon het zilveren tijdperk waarin de mens moest werken voor zijn eten: de landbouw deed zijn intrede. Op het zilveren tijdperk volgde het bronzen tijdperk. Van brons werden wapens gesmeed en daarmee kwam de oorlog in ons leven. De laatste era was die van de Romeinen zelf, het ijzeren tijdperk noemden ze dat. In die periode ontstond de misdaad. Het ijzeren tijdperk werd afgesloten met de eindtijd, of de wereldbrand, zoals de Stoïcijnen die noemden, en dan begon de cyclus opnieuw. De vierde bucolica is vanuit dat wereldbeeld geschreven en wijkt dus af van de Christelijke kijk op de toekomst: een eeuwigdurend Koninkrijk Gods.

de maagd

Net als het kerstverhaal kent ook de vierde bucolica een maagd. Alleen is het geen maagd die de zoon baart, maar een maagd die terugkeert. Virgo heet ze in het Latijn, Astraea in het Grieks. Ze was de godin van de rechtvaardigheid en de laatste godin die tussen de mensen op aarde leefde. Tot het ijzeren tijdperk wist ze dat vol te houden. Toen is ze gevlucht voor alle misdaden die de mensheid beging. Maar na de eindtijd zal ze terugkeren en zal de wereld weer rechtvaardigheid kennen; zo geloofden de Romeinen althans.

de zoon uit de vierde bucolica

Zoals gezegd, vereenzelvigen Christenen de zoon uit de vierde bucolica met hun Messias Jezus. Dat kunnen ze doen omdat Vergilius zelf niet expliciet is over de aard van het kind. Uit de vierde bucolica blijkt zelfs niet of het kind al geboren was in zijn tijd. Andere Romeinse schrijvers geven echter concretere informatie over de komende ‘vredevorst’. Suetonius schreef bijvoorbeeld dat in Judea iemand zou opstaan die de wereldheerschappij op zich zou nemen. Tacitus noemde zelfs een naam. Of eigenlijk twee: keizer Vespasianus en zijn zoon Titus.

Ook een van de hoofdpersonen uit mijn roman ‘De Derde Tempel‘, de Joodse schrijver en priester Flavius Josephus, verklaarde in zijn boeken over de Joodse oorlog dat de Messiaanse profetie betrekking had op keizer Vespasianus. Maar hij kon ook niet veel anders. Hij had de boeken namelijk in opdracht van Vespasianus geschreven.

Josephus schreef de passage terwijl Vespasianus nog in leven was. In mijn roman ontwikkelt Josephus’ inzicht zich na Vespasianus’ dood verder. Op basis van de aankondigingen van de Messias in de Thora concludeert hij dat niet Vespasianus, maar Titus de Messias is. Niet de vader maar de zoon dus, zoals Vergilius al schreef. En de zoon blijkt ook nog bereid de derde Joodse tempel te bouwen. Josephus is er dan ook kapot van als Titus voortijdig sterft.

Julianus Apostata

Julianus Apostata
Julianus Apostata

Julianus Apostata (oftewel ‘de Afvallige’) werd in 331 CE, onder de naam Flavius Claudius Julianus, geboren als neef van keizer Constantijn de Grote.

In 337 CE, stierf Constantijn de Grote. Tijdens de machtsstrijd die op zijn dood volgde, werden vrijwel al diens manlijke verwanten vermoord. Het was een wonder dat de zesjarige Julianus die slachting overleefde.

In november 361 CE werd Julianus zelf keizer. Vanaf die tijd heet hij Julianus Apostata. Die naam kreeg hij omdat hij kort na zijn troonsbestijging het Christendom verwierp en terugkeerde naar de oude Romeinse goden. Hij ontpopte zich als een fervent bestrijder van de Christenen. Om het Christendom in zijn diepste wezen te raken, gaf hij opdracht de derde Joodse tempel te bouwen.

de jeugd van Julianus Apostata

Julianus Apostata is in 331 CE geboren als zoon van Julius Constantius en diens tweede vrouw Basilina. Basilina stierf kort na Julianus’ geboorte, zodat Julius de opvoeding  van zijn zoon alleen ter hand moest nemen. Dat deed hij naast zijn bestuurlijke loopbaan, die tijdens het vierde levensjaar van Julianus zijn hoogtepunt bereikte. Julius’ halfbroer, keizer Constantijn de Grote, benoemde hem in 335 CE namelijk tot consul.

In 306 CE was Constantijn de Grote keizer van het Romeinse rijk geworden. Direct vanaf zijn aantreden begon hij met het bevorderen van het Christendom in zijn rijk. Na eeuwenlange vervolging ontvingen de Christenen opeens privileges. Ook kregen ze alle vrijkomende bestuursposten toebedeeld.

Op 22 mei 337 CE stierf Constantijn de Grote. Diens drie zoons grepen toen de macht en om elke concurrentie uit te schakelen, vermoordden ze al hun manlijke familieleden. Ook de vader van Julianus behoorde tot hun slachtoffers. Hun neef Julianus spaarden ze echter. Waarschijnlijk vanwege zijn jonge leeftijd (zes jaar).

Een van de zoons van Constantijn de Grote, keizer Constantius II, ontfermde zich over de jongen. Hij regelde een gedegen opvoeding, die op twee pijlers rustte: een religieuze en een wereldlijke. Bisschop Eusebius van Nicomedia nam het Christelijke gedeelte op zich. Hij onderwees Julianus in theologie en moraal. Daarnaast volgde Julianus Apostata de klassieke opleiding die alle jongeren uit de Romeinse elite kregen. Eerst leerde hij Grieks en Latijn van een grammaticus en daarna kreeg hij welsprekendheid van een vooraanstaande retor. Na die gebruikelijke basisopleiding studeerde Julianus bij enkele beroemde filosofen. De Neoplatonist Maximus van Efeze had de meeste invloed op hem.

op weg naar de troon

In 355 CE, Julianus was toen vierentwintig, benoemde Constantius II hem tot Caesar, oftewel onderkeizer. Hij kreeg het opperbevel over de troepen in het westen. Hoewel hij geen militaire opleiding had genoten, bleek hij een bekwaam generaal. Hij won slag na slag, ook tegen de Germanen. De hele westelijke Rijnoever voegde hij weer toe aan het Romeinse rijk.

Zijn succes maakte Julianus Apostata populair bij het westelijke leger. Té populair besloot keizer Constantius II. Hij vreesde Julianus’ macht en gaf opdracht dat de helft van zijn troepen aan de oostelijke legers toegevoegd moesten worden. Julianus verzette zich daar niet tegen. Zijn troepen wel. Er brak een opstand uit en zijn troepen benoemde hem tot keizer.

Toen Constantius II het nieuws hoorde , bestempelde hij Julianus Apostata tot vijand van de staat. Julianus moest nu vrezen voor zijn leven.  Hij besloot het initiatief te nemen en trok met zijn troepen naar het keizerlijk paleis te Constantinopel. Zover hoefde hij echter niet te gaan. Op 3 november 361 CE overleed Constantius II en benoemde Julianus Apostata tot zijn erfgenaam.

Julianus als keizer

Het eerste wat Julianus als keizer deed, was de corruptie binnen de overheid aanpakken. Corrupte ministers werden  door een tribunaal tot verbanning of de dood veroordeeld. Daarnaast hevelde hij veel taken over van het rijk naar de gemeenten. Die reorganisatie kostte duizenden rijksambtenaren hun baan.

In de vierde eeuw stoelde de macht van de keizer op het leger. Dat bestond toen uit een westelijk en oostelijk deel. Het westelijke leger was loyaal aan Julianus. Het oostelijk leger niet. Julianus wilde ook  die soldaten aan zich binden en hoopte dat te doen door ze naar overwinningen te leiden. De vijand die hij daarvoor uitkoos, waren de Perzen.

Als aanvoerder van zo’n 80.000 man trok Julianus Apostata langs de Eufraat naar de Perzische hoofdstad Ctesiphon. Die stad was al vaker door de Romeinen ingenomen en telkens met een rijke buit. Dit keer liep het avontuur echter minder goed af. Na een eerste Romeinse overwinning trokken de Perzen zich terug achter de stadsmuren en sloten de poorten. Hun hoofdmacht was evenwel nog onderweg en zou snel arriveren. Dat scenario had Julianus niet voorzien en het plaatste hem voor een fors probleem. Als hij de stad zou belegeren, zou de Perzische hoofdmacht hem in zijn rug aanvallen en als hij tegen de hoofdmacht optrok, zou hij zonder voorraden komen te zitten. Hij besloot zich terug te trekken en via het noorden naar Constantinopel terug te keren. Een fatale beslissing. Op de terugtocht werd zijn leger verslagen en sneuvelde hijzelf.

zijn strijd tegen de Christenen

Julianus Apostata was gedoopt en Christelijk opgevoed. Onder keizer Constantius II was hij waarschijnlijk ook belijdend. Zodra hij echter keizer werd, zwoer hij het geloof af. Vanaf dat moment bestreed hij het Christendom. Hij vervolgde Christenen niet, in het verleden had dat alleen maar averechts gewerkt, maar ontnam ze hun privileges. Zijn idee was dat als de elite terugkeerde naar de oude staatsgodsdienst, het volk vanzelf zou volgen.

De belangrijkste maatregelen die Julianus nam, waren:
1.     Hij bepaalde dat er godsdienstvrijheid in het Romeinse rijk gold.
2.     Hij heropende de oude Romeinse tempels.
3.     Hij trok de rijkstoelagen van de bisschoppen in.
4.     Hij benoemde de leraren van de door de staat gefinancierde scholen.
5.     Hij liet dissidente bisschoppen terugkeren, die de kerk had verbannen.
6.     Hij gaf opdracht de derde Joodse tempel te bouwen.

de bouw van de derde tempel

In zijn Bijbelse openbaring (21.22) schets Johannes een beeld van het nieuwe Jeruzalem: “En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam.” Julianus Apostata legde dat visioen zo uit, dat er volgens de Bijbel nooit meer een tempel in Jeruzalem zou verrijzen. Om het ongelijk van de Bijbel aan te tonen, besloot hij de derde tempel te bouwen. Zijn vriend en historicus Ammianus Marcellinus schreef het volgende over dat besluit.

Om de herinnering aan zijn keizerschap te laten voortleven in grote werken, besloot hij de imposante tempel van Jeruzalem, die na een lange en bloedige strijd en belegering door Vespasianus en Titus was veroverd, ondanks de enorme kosten te laten herstellen. De aanpak ervan droeg hij op aan Alypius van Antiochië, die eerder vice-prefect van Brittannië was geweest. Toen deze echter met hulp van de gouverneur enthousiast aan de slag ging, spoten er uit de fundamenten van de tempel telkens fonteinen van vuur omhoog. Die doden enkele bouwvakkers en hielden de rest op afstand. Het project moest daarom worden opgegeven.

Over de oorzaak van het mislukken van de herbouw van de tempel is veel gespeculeerd. Een eenduidige reden is nooit gevonden. De Christenen zien het als een direct ingrijpen van God. De Joden wijten het aan het overlijden van Julianus Apostata. Hij stierf enkele maanden nadat hij de opdracht tot bouw van de derde tempel had gegeven.

De regeerperiode van Julianus Apostata valt meer dan twee eeuwen na de historie die ik in mijn roman ‘De Derde Tempel‘ beschrijf. Dat ik op deze website toch een artikel over hem heb opgenomen, is omdat ik het thema van de derde Joodse tempel vanuit zoveel mogelijk perspectieven wil belichten.