de Palatijn

de Palatijn, het paleis van de Romeinse keizers
de Palatijn

Het Nederlandse woord ‘paleis’ is ontleend aan het Oudfranse ‘palais’ en dat stamt weer van het Latijnse ‘Palatium’.

Oorspronkelijk was ‘Palatium’ de naam van een van de zeven heuvels waarop Rome was gebouwd. In het Nederlands noemen we die heuvel ‘de Palatijn’.

Aangezien het de meest centrale heuvel van de stad was, besloot Augustus, Rome’s eerste keizer, op de top ervan te gaan wonen. Daartoe kocht hij een bescheiden huis van slechts twee verdiepingen aan.

de Palatijn in de Romeinse mythologie

De centrale ligging van de Palatijn was niet de enige reden waarom Augustus zich er vestigde: ook de mythologie speelde een rol. Zijn huis lag namelijk recht boven de grot waar, volgens de legenden, Remus en Romulus, door een wolvin gezoogd, opgroeiden tot de stichters van Rome.

Om de mythische waarde van zijn woning verder te verhogen liet Augustus ernaast een tempel ter ere van Apollo bouwen. Die tempel werd de bewaarplaats voor de sibillijnse boeken: de drie heilige Romeinse boekrollen die alleen door een select gezelschap van priesters mochten worden ingezien. Op die manier trok Augustus niet alleen de wereldlijke, maar ook de geestelijke macht naar zich toe.

En ook andere religies vonden hun plek op de Palatijn. Zo bracht Titus na de inname van Jeruzalem de voorhang en de thorarol uit de Joodse tempel mee naar het paleis. Volgens de Bijbel scheurde die voorhang op het moment dat Jezus stierf aan het kruis. Helaas blijkt uit de Romeinse bronnen die de voorhang beschrijven, niets over een scheur. Wel vermelden ze dat de stof met bloed besmeurd was.

het paleis van de Julische keizers

Na zijn dood werd Augustus als keizer opgevolgd door een reeks familieleden: Tiberius, Caligula, Claudius en Nero. Al die keizers bleven op de Palatijn wonen en stuk voor stuk breidden ze het paleis uit. Tijdens Nero’s regering had het al een oppervlakte van 18.000 vierkante meter.

In 65 CE brak een brand uit die Rome grotendeels verwoestte. Ook de Palatijn werd niet gespaard. Volgens verschillende historici zat Nero zelf achter de brand. Hard bewijs daarvoor is echter nooit geleverd. Feit is wel dat Nero Rome op tijd ontvluchtte. Net voordat de brand uitbrak, vertrok hij naar zijn villa in Antium. Pas na enkele dagen keerde hij terug om de schade op te nemen. Volgens Suetonius deed hij dat vanuit de toren van Maecenas, waar hij in zijn theaterkostuum “de inname van Troje” zong.

Na de brand lagen grote delen van Rome braak. Nero greep die gelegenheid aan om een indrukwekkend project te realiseren: de Domus Aurea (het Gouden Huis). Dat paleis had een oppervlakte van wel 80 hectare en strekte zich uit over de flanken van vier heuvels en het daartussen gelegen dal. In het midden lag een groot kunstmatig meer en de gebouwen eromheen werden gescheiden door uitgestrekte weiden en bosschages waar dieren rondliepen.

de Palatijn onder de Flavische keizers

Een jaar na de dood van Nero kwam Vespasianus aan de macht. Om elke herinnering aan zijn voorganger uit te wissen, brak hij de Domus Aurea af en bouwde op de plek van het centrale meer zijn Colosseum.  Zelf ging hij op de Palatijn wonen, in het gerestaureerde paleis van de Julische keizers. Dat bleek groot genoeg voor alle representatieve functies van de keizer.

Totdat Vespasianus’ zoon Domitianus de scepter overnam. Net als Caligula en Nero leed Domitianus aan grootheidswaanzin. Hij liet zich “de Heer en God” noemen en met die status paste hij niet meer in “zo’n armoedig paleisje”. Daarom liet hij aan de zuidkant van de Palatijn het paleis uitbreiden met de Domus Flavia.

Het grootste deel van die uitbreiding bestond uit ontvangstzalen. De “Basilica” gebruikte Domitianus om recht te spreken en met zijn raad van adviseurs te overleggen, en in de “Aula Regia” (de troonzaal) hield hij audiëntie. Beide zalen hadden een, voor die tijd, enorme afmeting. Omdat ze het hart van het paleis vormden, spelen veel scènes in mijn roman “De Derde Tempel” zich daar af.

Maar bij die twee pronkzalen hield het niet op. Tegen het einde van zijn regime had Domitianus alle andere bewoners van de Palatijn verdreven en op de vrijgekomen plekken onder meer een stadion, een tempel voor Jupiter, een vijver met eiland en een eetzaal gebouwd. Die eetkamer stond bekend als “de eetkamer van Jupiter”. Volgens Statius waren de zuilen ervan sterk genoeg om de hemel en de goden te dragen, en pasten er wel duizend tafels in.

Kenmerkend voor Domitianus was het peristilium dat hij liet bouwen. Alle wanden van deze met zuilengangen omgeven binnenplaats liet hij met spiegelend marmer bekleden, zodat hij altijd kon zien wat er achter zijn rug gebeurde. Met die voorzorgsmaatregel heeft hij echter niet kunnen voorkomen dat hij uiteindelijk werd neergestoken.