de catacomben van Domitilla

catacomben Domitilla
de catacomben van Domitilla

De ‘catacomben van Domitilla’ is de naam van een antieke Christelijke begraafplaats in Rome. Het is stelsel van gangen en tombes dat is uitgehakt in de tufstenen ondergrond van de stad.

De oudste graven dateren uit de eerste en tweede eeuw van onze jaartelling; uit de periode van de Christenvervolging dus. Het was toen een klein complex. De explosieve groei van de catacomben vond pas plaats in latere eeuwen. Toen het Christendom staatsgodsdienst werd, was het namelijk een eer om dicht bij de martelaren te mogen liggen.

de naam ‘catacomben van Domitilla’

De catacomben van Domitilla waren uitgegraven onder een landgoed dat het ‘domein van Domitilla’ heette. Dat landgoed lag aan de Via Ardeatina, enkele kilometers buiten de stadspoorten van het oude Rome. Het domein was verworven door Flavia Domitilla I, de vrouw van keizer Vespasianus. Zij is echter niet de naamgeefster van de catacomben. Dat is Flavia Domitilla III, de kleindochter van de keizerin, die het landgoed had geërfd.

Domitilla III was getrouwd met Flavius Clemens, de zoon van Vespasianus’ broer. Cassius Dio noemde het echtpaar in zijn ‘Romeinse geschiedenis’. Over een rechtszaak waarin ze verzeild raakten, schreef hij: “De aanklacht tegen hen luidde ‘atheïsme’, een aanklacht waarvoor velen die in Joodse gebruiken waren afgedwaald, werden veroordeeld“. De term ‘Joodse gebruiken’ behoeft hier een toelichting. In de Flavische tijd was dat een ruimer begrip dan tegenwoordig. Ook het Christendom viel daar namelijk onder.

Keizer Domitianus, de zoon van Vespasianus, was de rechter in het proces tegen het echtpaar. Normaal gesproken was hij streng voor atheïsten. Verbeuring van hun totale vermogen was de minimale straf op hun vergrijp. Flavius Clemens trof hij met een nog zwaarder lot: de doodstraf. Domitilla kwam er echter ‘genadig’ vanaf. Haar verbande Domitianus slechts, naar Pandateria.

de Romeinse uitvaart

Begraven was in het oude Rome niet gebruikelijk. Er bestaan wel wat sarcofagen uit die tijd, maar meestal werden lijken gecremeerd. Dat gebeurde op een brandstapel buiten de stad, waar de overledene in een rouwstoet naartoe werd gedragen. Dat was een bontere stoet dan we tegenwoordig kennen.

Voorop liepen muzikanten, vervolgens fakkeldragers en daarna klaagvrouwen. Die laatsten vormden een erkende beroepsgroep in Rome. Bij elke uitvaart liepen er wel enkelen mee om hartverscheurend te jammeren. Achter de klaagvrouwen liepen de slaven van de overledene. Zij droegen de zilveren maskers van zijn voorouders. Zo kon iedereen zien welke roemruchte voorgangers de dode op zijn tocht naar Hades vooraf waren gegaan. Het laatste masker was van de dode zelf. Het werd gedragen door een komiek, wiens taak het was om de betreurde met rake grappen in herinnering te roepen. Na de grapjas volgde de kist, en daarachter de rouwenden.

In mijn roman ‘De Derde Tempel‘ beschrijf ik zo’n rouwstoet. Het is de stoet van keizer Titus; een van de indrukwekkendste die Rome ooit heeft gezien.

de Christelijke begrafenis

De eerste Christenen leunden sterk op hun Joodse oorsprong. Zodoende was crematie geen optie voor hen. Ze begroeven hun doden, ook al was een riskante bezigheid. Een aanklacht wegens atheïsme was immers snel ingediend. De catacomben van Domitilla beperkten dat gevaar. De plechtigheid vond daar namelijk onder de grond en dus buiten het zicht van de overheid plaats.

Hun bezwaar tegen de lijkverbranding baseren de Christenen op I Korintiërs 15:42-44, waarin staat: “Zo is het ook met de opstanding van de doden. (…) Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid en een geestelijk opgewekt“. Uit het lijk van de overledene wekt God dus een nieuw geestelijk lichaam op. En kennelijk lukt Hem dat wel uit ontbonden lichamen, maar niet uit verbrande.

In dat licht is Johannes 5:28-29 interessant. Daarin staat namelijk: “de tijd komt waarin allen die in graven liggen, zijn stem zullen horen en eruit zullen komen. Wie goed heeft gedaan, zal opstaan tot leven, wie kwaad heeft gedaan, zal veroordeeld worden.” Is het voor zondaars daarom wellicht raadzaam om zich maar te laten cremeren?