Categoriearchief: Geen categorie

paus Anacletus I

paus Anacletus I
paus Anacletus I

Van paus Anacletus I weten we zeer weinig. In zijn ‘Kerkgeschiedenis’ meldt Eusebius slechts het jaar waarin Anacletus zijn voorganger Linus is opgevolgd. In tegenstelling tot paus Clemens I heeft Anacletus ook geen enkel geschrift van eigen hand nagelaten. Alleen zijn naam geeft informatie: Anacletus werd in zijn tijd Anencletus genoemd, naar het Griekse ‘Ανέγκλητος’, dat ‘de onschuldige’ betekent.

Dat er over paus Anacletus I nauwelijks informatie beschikbaar is, heb ik bij het schrijven nooit als nadeel ervaren. Het gaf mij juist vrijheid. De ruimte die het mij bood, heb ik gebruikt om in mijn roman ‘De Derde Tempel‘ een conflict uit te werken dat mij al jaren boeit, namelijk dat tussen het Katholicisme en de Gnostiek binnen de Christelijke kerk. Het is een conflict dat al in tal van andere romans aan de orde is geweest, zoals Dan Browns ‘Da Vinci code’ en Umberto Eco’s ‘Slinger van Foucault’. In die romans gaat het echter over strijd en macht, terwijl ik meer geïnteresseerd ben in de verschillende geloofsopvattingen die aan het conflict ten grondslag liggen.

de Gnostiek

Zoals de lezers van de hierboven genoemde romans weten, heeft het Vaticaan de Gnostiek altijd te vuur en te zwaard bestreden: de Manicheeërs, de Paulicianen, de Katharen; ze zijn allemaal met wortel en tak uitgeroeid. Daar had het Vaticaan een dringende reden voor. De Gnostiek erkende namelijk geen religieus gezag. Volgens de Gnostieke opvatting droeg de mens een goddelijk vonk in zijn hart en als hij daarnaar luisterde, leidde die hem naar het goede. De Katholieke opvatting is echter, dat alleen de paus, als plaatsvervanger van Jezus, weet wat goed voor de gelovige is.

Vanuit machtspolitiek oogpunt verbaast de vervolging van de Gnostiek door de Katholieke kerk mij dan ook niet. Theologisch bezien, vind ik het echter minder begrijpelijk. Want de apostel Paulus schrijft in zijn Bijbelse brieven namelijk dat de mens de tempel van God is en dat God in hem woont. En dat is nu precies wat de Gnostici ook beweren.

Ondanks hun vervolging door het Vaticaan, zijn de Gnostici nooit uit de wereld verdwenen. Ook in de moderne tijd duiken er nog met regelmaat genootschappen op die zich de erfgenamen van hun traditie noemen.

Ironisch genoeg heeft de vervolging er zelfs toe bijgedragen dat de Gnostiek de tand des tijds heeft overleefd. In de vierde eeuw begroeven monniken nabij het Egyptische plaatsje Nag Hammadi namelijk een kruik met verboden literatuur. En in 1945 heeft een boer die kruik teruggevonden.

de Nag Hammadi geschriften

In de kruik zaten verschillende leren banden met geschriften. Een deel daarvan heeft de boer verbrand omdat hij dacht dat ze waardeloos waren, maar 52 teksten zijn (geheel of gedeeltelijk) bewaard gebleven. Daartussen zaten onbekende evangeliën, handelingen, openbaringen en brieven van apostelen. Tezamen geven ze een gedetailleerd beeld van de Gnostieke opvattingen uit die tijd.

Het voornaamste verschil met de Katholieke leer zit hem in het scheppingsverhaal. Ook bij de Gnostici begint dat met God. God schept de lichtwereld, het Pleroma genaamd. Het is een volmaakte wereld. Maar toch niet helemaal. Want één van de bewoners ervan, Sophia (= wijsheid), wil zelf iets creëren. Ze krijgt een misgeboorte, de Demiurg, die ze van schrik uit de schepping gooit.

De Demiurg heeft echter voldoende kracht van zijn moeder geërfd om zelf te kunnen scheppen. Met die kracht creëert hij de ons bekende stoffelijke wereld. Het is een schijnwereld waarin hij de mens gevangen houdt met driften en verlangens.

de hemelreis

Voor mensen die over voldoende kennis beschikken, is het echter mogelijk om aan die stoffelijke wereld te ontsnappen. Zij zijn in staat om op te stijgen naar de lichtwereld (het Koninkrijk Gods). Maar om daar te komen, zullen zij eerst zeven hemelsferen moeten doorkruisen. En dat is niet eenvoudig, want bij elke toegang tot een sfeer staat een wachter. Die wachters komt de mens alleen voorbij als hij tijdens zijn aardse bestaan zijn aangeboren neigingen heeft overwonnen. Dat lijkt simpel. Maar de vraag is: welke neigingen zijn dat dan?

Helaas bezitten we van veel Gnostieke teksten slechts fragmenten. Ook de geschriften over de zeven wachters zijn incompleet. Maar door de teksten ervan te combineren en ze naast verwante Hermetische geschriften te leggen, ben ik tot het volgende overzicht gekomen: 1. doodsangst, 2. begeerte, 3. onwetendheid, 4. leugenachtigheid, 5. heerszucht, 6. overmoed en 7. toorn. Helaas is dit lijstje slechts tentatief. Om zekerheid te verkrijgen over de zeven wachters, zijn we afhankelijk van nieuwe vondsten.

Maria Magdalena en paus Anacletus I

Zoals ik al op mijn pagina over Maria Magdalena schreef, is zij een van de belangrijkste figuren binnen de Gnostiek. Ze was niet alleen de vrouw van Jezus, maar ook zijn leidende discipel. Ze was belangrijker dan alle andere apostelen. Zij wist de weg. Dat blijkt onder meer uit het Gnostieke evangelie van Maria Magdalena. Daarin lezen we namelijk dat Jezus al zijn kennis over het Koninkrijk Gods aan haar heeft geopenbaard.

Volgens de overlevering is Maria Magdalena in het Turkse Efeze gestorven. Daarom heb ik ervoor gekozen om paus Anacletus I in die stad te laten opgroeien. In zijn jeugd heeft hij zelfs bijeenkomsten onder haar leiding bezocht. Hij ziet zichzelf dan ook als de hoeder van de wijsheid die Jezus op haar heeft overgedragen.

In overeenstemming met de geloofstraditie laat ik Anacletus sterven als martelaar. Meer eer verdient hij niet volgens het Vaticaan. Ooit hadden de Katholieken hem heilig verklaard, maar uit dat register hebben ze hem later weer geschrapt.

Maria Magdalena

Maria Magdalena
Maria Magdalena

Maria Magdalena is de meest mysterieuze persoon uit het Nieuwe Testament. Ze is ongrijpbaar, omdat de verhalen over haar elkaar volledig tegenspreken.

Aan het einde van de zesde eeuw stelde paus Gregorius I haar gelijk aan de hoer uit Lucas 7:37 en dat beeld is ze binnen de katholieke kerk nooit meer kwijtgeraakt.

Anderen verkondigen echter dat zij de wijsheid zelve was; de favoriete discipel van Jezus. In zijn bestseller “De Da Vinci Code” verkondigt Dan Brown zelfs, dat zij de vrouw van Jezus was en dat zij hem kinderen heeft gebaard, een bloedlijn die nu nog steeds voortleeft.

Maria Magdalena in de Bijbel

In alle vier de Bijbelse evangeliën komt Maria Magdalena voor. Mattheüs meldt over haar: dat ze aanwezig was bij de kruisiging, dat ze de volgende dag het graf bezocht, dat ze zag dat het graf leeg was, en dat Jezus zich na zijn opstanding als eerste aan haar vertoonde. Marcus en Lucas voegen daar nog aan toe dat Jezus zeven demonen bij Maria Magdalena heeft uitgedreven.

Het meest uitgebreid komt Maria Magdalena aan bod bij Johannes. Hij beschrijft hoe ze met Jezus’ moeder voor het kruis staat. En vervolgens: “Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder.” (Joh 19:26-27). Wat een romantiek! Jezus’ moeder wordt ook de moeder van zijn geliefde. Waar kennen we dat van?

Het beeld dat uit de Bijbel naar voren komt, ligt dus dichter bij de ‘echtgenote’ van Dan Brown dan bij de ‘hoer’ van paus Gregorius I. Waarom schilderde de katholieke kerk haar in de zesde eeuw dan als hoer af?

de Gnostiek

In de eerste eeuwen van onze jaartelling kende het Christendom naast de Katholieke kerk ook een Gnostieke stroming. De kern van het geloofsonderscheid tussen die twee school in het verhaal van Adam en Eva. Zoals u weet, leidde volgens de Katholieken het eten van de appel tot de verdrijving uit het paradijs. Volgens de Gnostici begon op dat moment juist al het goede. Want alleen door het werven van kennis over goed en kwaad, kon de mens zich van zijn wereldlijke kluisters bevrijden.

De Katholieken bestempelden die ideeën als ketters en hebben ze te vuur en te zwaard bestreden. Gnostieke kloosters werden verwoest, hun inwoners vermoord en hun boeken verbrand. In de vierde eeuw durfde niemand zich meer Gnosticus te noemen. De Gnostieke leer ging ondergronds.

het evangelie van Maria Magdalena

In 1896 is in het Egyptische Achmim een kruik gevonden in een nis bij een oude Christelijke begraafplaats. In die kruik zaten Gnostieke boeken die daar waarschijnlijk tijdens die vervolgingen waren verstopt. Een van die boeken was het evangelie van Maria Magdalena, een Gnostieke pendant van de vier evangeliën uit de Bijbel.

Volgens dat evangelie was Maria Magdalena een discipel. Ze was zelfs de discipel van wie Jezus het meest had gehouden. Aan haar had hij dan ook al zijn kennis over het Koninkrijk Gods overgedragen. In het evangelie van Maria Magdalena wordt die kennis geopenbaard. Het beschrijft hoe iedereen het Koninkrijk Gods kan bereiken door – Marcus en Lucas noemden ze al – zeven demonen uit te drijven. Het evangelie noemt de zeven ook bij naam. Het blijken zeven slechte eigenschappen te zijn, die de mens moet overwinnen om in de zevende hemel te komen.

Na 1896 zijn er nog verschillende oude Gnostieke teksten gevonden en uit al die teksten blijkt dat Maria Magdalena de centrale figuur was binnen de Gnostieke leer. Zij was ‘de apostel der apostelen’. Door haar kennis tot zich te nemen, kon de mens zich in navolging van Jezus verlossen.

Om twee redenen was dat tegen het zere been van de Katholieke kerk: 1. Maria Magdalena was een vrouw, terwijl de kerk uitsluitend door mannen bestuurd werd; en 2. Volgens de katholieke leer kon de mens zich uitsluitend door de kerk verlossen; alleen het werk van de kerk bracht namelijk de terugkeer van Jezus nabij. Daarom besloot men in Rome dat de Gnostici moesten worden bestreden. En de karaktermoord op Maria Magdalena was een onderdeel van die strijd.

‘De Da Vinci Code’
Leonardo Da Vinci, het laatste avondmaal, Maria Magdalena
Leonardo Da Vinci, Het laatste avondmaal

In zijn ‘Da Vinci Code’ schrijft Dan Brown over Leonardo Da Vinci’s ‘Laatste avondmaal’ dat de persoon aan de rechterhand van Jezus niet een van de twaalf apostelen is, maar Maria Magdalena. Ik denk dat hij dat juist ziet. De afbeelding die ik bovenaan deze blog plaatste, is namelijk een uitsnede uit het schilderij en daaruit blijkt duidelijk dat Da Vinci een vrouw geschilderd heeft.

Verder schrijft Brown dat Petrus – die symbool staat voor de katholieke kerk, die hij gesticht heeft – dreigend naar haar toe buigt. En om het gevaar nog verder te accentueren, zweeft er aan Petrus’ rechterzijde een verdwaalde hand met een mes boven tafel.  Als u op de afbeelding van het schilderij hierboven klikt, ziet u een gedetailleerdere versie ervan. Als u daarop inzoomt, blijkt dat Brown ook wat betreft het mes gelijk heeft.

Brown trekt uit deze feiten de conclusie dat Jezus en Maria Magdalena nakomelingen hebben gekregen. En Da Vinci was volgens hem hoofd van een genootschap (de Priorij van Sion) dat tot doel had die bloedlijn te beschermen. Te beschermen tegen de katholieke kerk wel te verstaan, omdat die zich door de bloedlijn van Jezus in haar bestaan bedreigd zou voelen.

Volgens de Katholieke kerk verkondigt Dan Brown louter onzin. Zelf heb ik geen behoefte om me in die discussie te mengen. Wel wil ik hieronder een alternatieve verklaring aandragen.

de Gnostiek vervolgd

Zoals ik hierboven al schreef, werd de Gnostiek in de vierde eeuw noodgedwongen occult. Daarmee was ze echter nog niet verdwenen. Ondergronds leefde ze voort, om af en toe de kop op te steken. De bekendste voorbeelden daarvan zijn de Paulicianen (8e eeuw) en de Katharen (13e eeuw). Beide stromingen vormden een hoogstaande cultuur die door de Katholieke kerk helaas met wortel en tak is uitgeroeid.

Ook in de tijd van Da Vinci waren er Gnostici actief. Vanwege hun vervolging werkten die in het geheim. Vaak wisten ze ook niet van elkaars bestaan. ‘Het laatste avondmaal’ zie ik als een poging van Da Vinci tot communicatie met zijn zielsverwanten. Leonardo maakte zich via Maria Magdalena als Gnosticus bekend. De verwijzing was te subtiel om het Vaticaan op te vallen, maar helder genoeg voor ingewijden. Tegelijkertijd waarschuwde hij de Gnostici  via Petrus en de dolk voor hun vervolgers.

de ommekeer van de Katholieke kerk

Op 10 juni 2016 gebeurde er een wonder waarvan maar weinig mensen weten. Zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven, heeft de Heilige Stoel namelijk een persbericht laten uitgaan, waarin Maria Magdalena tot ‘apostel van de apostelen’ werd uitgeroepen. Na haar meer dan 13 eeuwen te hebben zwartgemaakt, besloot Rome opeens dat Maria Magdalena een liturgische verering verdient op gelijke voet met de andere apostelen. In het slotwoord van het persbericht noemt aartsbisschop Roche haar zelfs “een voorbeeld en rolmodel voor alle vrouwen in de kerk“.

Ik viel van mijn stoel toen ik het nieuws las. Het moet toch niet gekker worden, dacht ik, straks gaan ze in Rome nog prediken dat de mens zichzelf kan verlossen!

In mijn roman ‘De Derde Tempel’ is die verlossing een belangrijk thema. Het is een bron van strijd tussen de Katholieke Clemens en de Gnostieke Anacletus.

de Sibillijnse boeken

Sibbillijnse boeken
de sibille van Erythrea door Michelangelo

Zoals de Christenen hun Bijbel, de Joden hun Thora en de Moslims hun Koran hebben, zo hadden de Romeinen hun Sibillijnse boeken.

Toch was er een groot verschil tussen de Romeinse heilige boeken en die van de huidige religies. De Sibillijnse boeken mochten namelijk slechts door enkele personen gelezen worden.

Die personen heetten de Quindecimviri, of eigenlijk de Quindecimviri Sacris Faciundis; vijftien mannen die samen een van de belangrijkste priestercolleges van Rome vormden.

de Griekse wortels van de Sibillijnse boeken

De Sibillijnse boeken zijn volgens de mythologie aan het begin van de zesde eeuw BCE geschreven door de Trojaanse sibille. Een sibille was een profetes die ook priestertaken vervulde. De Trojaanse sibille deed dat in het orakel van Apollo in Dardania (Troas).

Daarna verhuisden de boeken naar een ander Apolloons orakel, namelijk dat van Erythrae. Dat heiligdom werd geleid door de beroemde sibille van Erythrae, de vrouw die volgens de legenden de val van Troje voorspeld had. Die sibille moet dus niet alleen wijs zijn geweest, maar ook stokoud. Tussen de val van Troje en het schrijven van de Sibillijnse boeken zaten namelijk meer dan vijf eeuwen.

de verwerving door de Romeinen

Niet veel later doken de boeken op in Italië. Aan het eind van de zesde eeuw BCE sprak een oude vrouw de Romeinse koning Tarquinius aan. Ze probeerde hem voor 300 goudstukken negen boeken te verkopen. De koning vond de prijs te hoog en sloeg het aanbod af.

Daarop liep de vrouw naar een vuur, verbrandde drie van de boeken en keerde met de overige zes terug naar Tarquinius. Voor 300 goudstukken mocht hij ze hebben, zei ze. De koning dacht dat ze gek was en schudde zijn hoofd.

Weer liep de vrouw naar het vuur en weer verbrandde ze drie boeken. Met de overgebleven drie boeken in haar armen kwam ze op Tarquinius af en deelde hem mee dat zijn laatste kans was om de boeken te kopen.

Op dat moment realiseerde de koning zich dat hij tegenover de sibille van Cumae stond, de wijze vrouw die Aeneas door de onderwereld had geleid. Hij bedacht zich geen moment en gaf de vrouw 300 goudstukken voor de Sibillijnse boeken.

de plaats van de Sibillijnse boeken in de Romeinse religie

De boeken kregen een tweeledige functie binnen de Romeinse religie. De meest bekende is die van orakel. Bij grote rampen of dreigende oorlogen, raadpleegden de Quindecimviri de boeken in de hoop een aanwijzing te vinden om het tij te keren. Zoals uit de historie van Rome blijkt, zijn ze daar altijd in geslaagd.

De tweede functie van de Sibillijnse boeken is misschien nog wel belangrijker. Naast een groot aantal profetieën bevatte de boeken namelijk uitgebreide voorschriften voor het vereren van de Goden. De Griekse Goden wel te verstaan. Want de Sibillijnse boeken hadden, zoals ik hierboven al schreef, een Griekse oorsprong.

Voordat Tarquinius de boeken kocht, kenden de Romeinen slechts een klein aantal lokale Goden. Die waren vooral op agrarisch terrein en in de oorlog actief. De Sibillijnse boeken gaven Rome echter inzicht de in bonte verscheidenheid van Griekse Goden. Dat gaf hun religieuze leven een impuls. Binnen twee eeuwen had iedere voorname Griekse God een Romeinse tegenhanger gevonden. Zo heette Zeus Jupiter bij de Romeinen, Ares werd Mars, en Athena noemden ze Minerva. Het complete Griekse pantheon namen ze over. En ze aanbaden hun nieuwe Goden ook op Griekse wijze.

de vernietiging van de Sibillijnse boeken

Net als de Joodse tempel zijn de Sibillijnse boeken twee keer vernietigd. De eerste keer was in 83 BCE, toen tijdens een burgeroorlog de tempel van Jupiter Capitolinus afbrandde. Ondanks dat de beheerders de boeken daar in een stenen kist onder de grond bewaarden, overleefden die de brand niet.

Na die ramp zonden de Romeinen over de hele wereld schriftgeleerden uit. Zij kregen de  opdracht mee om teksten te verzamelen die gebruikt konden worden om de Sibillijnse boeken te reconstrueren. Dat is hen ook gelukt. En de herstelde boeken kregen een plek in de tempel van Apollo op de Palatijn.

In 405 CE ging het echter voor de tweede maal mis. Uit ‘De Reditu Suo‘ van Rutilius Namatianus blijkt, dat de Christelijke generaal Stilicho de Sibillijnse boeken toen heeft verbrand. Volgens Rutilius deed Stilicho dat omdat hij Rome wilde vernietigen. Als dat waar is, is hij in zijn opzet geslaagd. Want vijf jaar later trokken de Visigoten de stad binnen en plunderden haar.

voorspelling van de komst van de Messias

Stilicho kon echter ook een ander doel hebben nagestreefd. Volgens de Christenen hadden de Sibillijns boeken namelijk de komst van Jezus voorspeld. Door het vandalisme van Stilicho valt de waarheid van die bewering niet meer te achterhalen. En dat was misschien ook wel zijn bedoeling. Wat de Christenen namelijk wel intact lieten, waren de zogenaamde ‘Sibillijnse orakels’. Die kondigden de Messias ondubbelzinnig aan. Het staat echter vast dat de orakels ver na de geboorte van Jezus zijn geschreven.

De enige authentieke bron over de betreffende voorspelling, is de vierde ecloge van Vergilius. Meer informatie daarover treft u aan op mijn webpagina ‘de vierde ecloge‘ en in mijn roman ‘De Derde Tempel‘.

JHWH, de Godsnaam

JHWH, de godsnaam, de naam van God
JHWH, de godsnaam

God heeft een naam. Tenminste… als we de Bijbel mogen geloven. In Jesaja 42:8 lezen we: “Ik ben de HERE, dat is mijn naam“. De oorspronkelijke Joodse versie luidt hetzelfde. Alleen staat daar in plaats van “De HERE” de naam “JHWH” (יהוה).

JHWH is de naam van God en in de protestantse traditie wordt die naam steevast met de HEER of HERE vertaald. Een van de redenen voor die keuze is dat de Schriftgeleerden niet met zekerheid kunnen vaststellen hoe de naam JHWH moet worden uitgesproken.

de onuitsprekelijke naam

In de Joodse traditie wordt JHWH de ‘sjem Hameforasj’ genoemd, ofwel de onuitspreekbare naam. Geen vrome Jood zal de naam laten weerklinken. Bij het voorlezen uit de Thora zal hij de letters JHWH vervangen door het woord ‘adonai’, wat ‘heer’ betekent. Dat doet hij op grond van de Bijbelverzen Deuteronomium 5:11 en 28:58, die, in een strikte uitleg, het uitspreken van de Godsnaam verbieden.

Ook uit het tetragrammaton zelf valt niet af te leiden hoe het moet worden uitgesproken. Het Hebreeuws kende namelijk alleen maar medeklinkers. De klinkers moest de lezer er zelf bij bedenken. Pas in de middeleeuwen hebben de Masoreten de ‘teamim‘ ontwikkeld, oftewel klinkertekens. Ze plaatsten die onder of boven de medeklinkers om de uitspraak van een woord weer te geven.

uitspraakvormen van JHWH

Als Christenen het over de Godsnaam hebben, spreken ze vaak over ‘Jahwè’ of ‘Jahwee’. Dat gebruik is expliciet gemaakt in de katholieke Willibrordvertaling uit 1975, waarin de naam JHWH consequent met ‘Jahwe’ is vertaald. Maar aangezien die keuze tot protesten van Joodse kant leidde, zijn de katholieken in hun vertaling uit 1995  weer tot ‘de HEER’ teruggekeerd.

Christenen die een andere weg kiezen, zijn de Jehova’s getuigen. In hun Bijbel vertalen ze het tetragrammaton met ‘Jehova’ en die naam spreken ze met liefde uit. Ze beroepen zich bij het gebruik van de naam op Exodus 3:15 waar staat: “JHWH (…), dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht“.

De uitspraak ‘Jehova’ baseren ze op de teamim bij de Masoretische Thora. Zoals ik hierboven al uiteen heb gezet, zijn die klinkertekens pas in de middeleeuwen toegevoegd. En bij de naam ‘JHWH’ hebben de Masoreten de teamim van het woord ‘adonai’ gezet, omdat de Joden de Godsnaam daar altijd door vervangen. De uitspraak ‘Jehova’ is dus nooit zo door de Masoreten bedoeld.

de uitspraak in de oudheid

Niet altijd is de naam JHWH onuitspreekbaar geweest. Er waren tijden dat hij wel uit Joodse mond klonk; éénmaal per jaar, op Grote Verzoendag; door slechts één persoon, de hogepriester. Die deed dat in de Joodse tempel. Totdat Titus die in 70 CE verwoestte. Daarna werd het stil op de Tempelberg.

De Joodse historicus Josephus is ooggetuige geweest van zo’n moment waarop de Godsnaam door de tempel schalde. In zijn verslag over de Joodse oorlog schreef hij dat de hogepriester daarbij een tulband droeg met een gouden kroon “waarin de heilige naam gegraveerd was. Die bestaat uit vier vocalen“. Helaas is dat het enige wat hij over de Godsnaam prijsgeeft. Aangezien het Hebreeuws geen vocalen kent en Josephus zelf in het Grieks schreef, is het vermoeden dat hij op de Griekse transliteratie van de naam doelde.

Vier vocalen, dat is dus alles wat we via Josephus weten, niet welke vocalen. Het enige wat we met die informatie kunnen doen, is ermee naar soortgelijke woorden in de Bijbel kijken. Het meest verwante woord is JHWDH (יהודה); in het Nederlands vertaald ‘Juda‘. Het is de naam van een oud Joodse koninkrijk dat Jeruzalem als hoofdstad had, en het betekent ‘prijzen’ of ‘loven’. Het is trouwens ook de naam van de stamvader van Jezus. De Hebreeuwse uitspraak van JHWDH is Jehoeda. Naar analogie daarvan zou JHWH als Jehoewa uitgesproken kunnen zijn.

de kolom van Soleb

Een nog oudere bron is de kolom van Soleb, een Egyptische zuil uit 1500 BCE. In de zuil is de onderstaande inscriptie uitgehakt. Het is een verwijzing naar de destijds nomadische Joden. Volgens vooraanstaande Egyptologen is het duidelijk dat de tekens y, h en w3 samen de Godsnaam vormen.

kolom Soleb, Godsnaam, JHWH
inscriptie in de kolom van Soleb

Over de uitspraak van Egyptische klinkers is over het algemeen ook weinig bekend. Maar dat is gelukkig anders waar het de transcriptie van buitenlandse namen betreft. In dat geval maakten de Egyptenaren namelijk gebruik van ‘maters lectionis‘ ofwel ‘leesmoeders’. Dat zijn medeklinkertekens die een klinker symboliseren. In dat systeem stond y voor i, w voor oe en 3 voor a. Ook bij de Egyptenaren klinkt de Godsnaam dus als Jehoewa.

JHWH in De Derde Tempel

In mijn roman ‘De Derde Tempel’ komt een scène voor waarin Titus, na zijn verovering van Jeruzalem, aan Josephus vraagt, hoe de naam van de God der Joden luidt. In de hoop daarmee zijn tempel te redden, spreekt Josephus de naam uit. Ik lang nagedacht over de vraag hoe ik dat moment het beste kon verwoorden. Uiteindelijk heb ik voor de volgende formulering gekozen: “De naam van de Heer is … JHWH!!!“.

het kerstfeest

kerst, kerstviering, geboorte Jezus, het kerstfeest
kerststal

Zoals iedereen weet, viert op 25 december de hele westerse wereld feest, het kerstfeest.

Het woord “kerst” in “kerstfeest” stamt etymologisch af van “Christus”. Het kerstfeest is dus niets meer of minder dan het feest ter ere van Jezus Christus.

“Ter ere van de gebóórte van Jezus”, zullen de meeste mensen zeggen. Zoals u aan de kerststal op de afbeelding kunt zien, is dat juist. Het is alleen de vraag of Jezus wel daadwerkelijk op 25 december geboren is. De Christelijke kerk heeft die dag namelijk pas halverwege de vierde eeuw  tot Zijn officiële feestdag aangewezen.

het kerstverhaal in de Bijbel en het vroege Christendom

“De herdertjes lagen bij nachte, zij lagen bij nacht in het veld.” Iedereen kent het liedje wel. Het is ontleend aan het evangelie van Lucas (2:8) en dat is de enige aanduiding die we hebben over het seizoen waarin Jezus geboren is.

Wanneer de betreffende scène zich afspeelde, staat nergens geschreven, maar het kan onmogelijk op 25 december zijn. Rond die tijd komt de nachttemperatuur in Bethlehem namelijk nauwelijks boven het vriespunt uit en dat is te koud voor herders en schapen om buiten te blijven. Bovendien is het regenseizoen dan al lang en breed begonnen.

De vroege Christenen vierden de geboorte van Jezus dan ook niet in de winter. De schrijver Clemens van Alexandrië (ca. 200 CE) noemt drie datums waarop zij dat wel deden: 19 april, 20 april en 20 mei. De eerste gedachte die bij mij opkwam toen ik die drie verschillende datums las, was dat de vroege Christenen het ook al niet wisten. Pas onlangs kwam er een alternatieve verklaring in me op: kalenderverschillen.

de Joodse kalender

Jezus was een Jood en de Joodse kalender was een maankalender. Dat hield in dat de maand begon en eindigde bij nieuwe maan. Twaalf van die maanden duren bij elkaar 354 dagen en om de kalender bij de jaarkalender te laten aansluiten, moest er om de paar jaar een schrikkelmaand worden ingevoegd. Daardoor kon een Joodse datum in een bepaald jaar wel 29 dagen verder liggen dan in een ander jaar.

Dat is onvoldoende om de verschillende datums van Clemens van Alexandrië te verklaren, zult u zeggen, want de uiterste liggen geen 29, maar 31 dagen uit elkaar. Dat klopt. In onze huidige tijd had een dergelijk verschil dan ook nooit kunnen ontstaan. In de tijd van Jezus was dat echter anders. Destijds had men namelijk nog geen gedetailleerde astronomische tabellen, destijds bepaalde men de kalender op grond van observatie met het blote oog.

Zowel het begin van een nieuwe maand, als het moment waarop een schrikkelmaand moest worden ingevoegd, werden bepaald door het moment waarop men, vanaf de muren van Jeruzalem, de nieuwe maansikkel zag. Daardoor was, zeker in bewolkte tijden, een afwijking van een dag geen uitzondering. Daar komt nog bij, dat aan het begin van de derde eeuw het “Juliaanse jaar” al anderhalve dag verschoven was t.o.v. het tropische jaar (waarover hieronder meer). Met die twee wetenswaardigheden in het achterhoofd is het niet uitgesloten dat Jezus op 18 of 19 Iljar van de Joodse kalender geboren is.

25 december en de invoering van de Juliaanse kalender

In de klassieke oudheid werden veel Goden op 25 december vereerd. Bekend zijn de feesten ter ere van de Perzische zonnegod “Mithras” en de Romeinse “Sol Invictus” (= onoverwinnelijke zon). In zijn “Saturnalia” voegt Macrobius daar ook nog eens de Egyptenaren aan toe. Die vierden op 25 december de geboorte van de nieuwe zon.

Dat al die feesten samenvielen, is geen toeval. Want toen Julius Caesar in 45 BCE zijn nieuwe “Juliaanse” kalender invoerde, viel de kortste dag van het jaar op 24 december. En dat maakte 25 december dus de eerste dag dat het licht weer toenam; de winterzonnewende dus, een feest dat al diep in de prehistorie door de mens gevierd werd. Het indrukwekkendste bewijs daarvan vormt de graftombe van Newgrange (uit 3200 BCE).

De invoering van de nieuwe kalender door Caesar was een revolutionaire vooruitgang. We gebruiken die kalender nog tot op de dag van vandaag. Slechts op één detail wijkt de Juliaanse kalender af van onze huidige tijdrekening: het aantal schrikkeldagen.

Caesar had bedacht dat er eens in de vier jaar een extra dag aan het jaar moest worden toegevoegd (de 29ste februari). Het gemiddelde Juliaanse jaar duurde daardoor 365,25 dagen. Dat was een redelijke benadering van het tropische jaar, maar net iets teveel van het goede. Per duizend jaar liep de kalender namelijk 7,81 dagen voor. Caesar was op de hoogte van die afwijking, maar had daar vrede mee. Duizend jaar is een lange tijd, zal hij gedacht hebben.

kerst en de kalender van Philocalus

Voordat ik dieper op die 7,81 dagen in ga, wil ik eerst aandacht besteden aan de kalender van Philocalus. Die is interessant omdat het de oudste jaarkalender is die volledig aan ons is overgeleverd. Hij stamt uit 354 CE.

In deel 6 van de kalender staan de feesten die de Romeinen in dat jaar vierden. Op 25 december wordt het feest “N. Invicti.CM.XXX” vermeld. “CM.XXX” staat hier voor het aantal wagenraces dat op die feestdag moet worden gehouden (in dit geval 30). Wat “N.Invicti” betekent is niet geheel duidelijk. Sommige Christenen menen dat “N.Invicti” voor Jezus staat. Ikzelf acht dat onwaarschijnlijk. Ten eerste omdat deel 6 van de kalender alleen Romeinse feesten noemt, geen Christelijke. En in de tweede plaats omdat Christelijke heiligen destijds (en nu nog steeds trouwens) niet met wagenraces werden vereerd. Dat zou heiligschennis zijn.

De optie dat “N.Invicti” een aanduiding is voor Jezus, is ook in tegenspraak met deel 12 van de kalender. Helemaal bovenaan staat daar namelijk (op 8 januari): “natus Christus in Betleem Iudeae”, oftewel de geboorte van Jezus te Betlehem. Waar die datum 8 januari opeens vandaan komt, is onduidelijk. Toevalligerwijs viert ook de Russisch Orthodoxe kerk haar kerstfeest op die dag, maar tussen die twee vieringen zit geen verband.

vaststelling kerstfeest op 25 december

Een andere toevalligheid was, dat paus Liberius exact in hetzelfde jaar als waarover de kalender van Philocalus gaat (354 CE), besloot om het kerstfeest op 25 december te vieren. Hij riep daarvoor een speciale mis in het leven, de zogenaamde kerstmis.

De motieven die de paus voor zijn besluit had, zijn onbekend. Wel is bekend dat Liberius een verklaard vijand was van het Arianisme. Liberius geloofde in de heilige drie-eenheid; wat inhoudt dat God, Jezus en de Heilige geest één en ondeelbaar zijn. De Arianisten, die destijds de meerderheid binnen de kerk vormden, geloofden daar niet in. Volgens hen was Jezus niet gelijkwaardig, maar ondergeschikt aan God. Het is mogelijk dat Liberius de nieuwe mis op 25 december heeft willen gebruiken om de status van Jezus naar het door hem gewenste niveau te tillen.

kerst in de Gregoriaanse kalender

Zoals ik hierboven al schreef, week de Juliaanse kalender 7,81 dagen per duizend jaar af van het tropische jaar. Op 4 oktober 1582 was de afwijking opgelopen tot bijna 13 dagen. Voor het kerstfeest vormde dat geen probleem. Maar wel voor het paasfeest, omdat de datum daarvan afhankelijk is van het moment waarop de zon door de equinox gaat.

Als de kerk de Juliaanse kalender was blijven volgen, was het kerstfeest steeds verder opgeschoven in de richting van het paasfeest. Om dat probleem op te lossen besloot paus Gregorius XIII twee dingen: 1. per vier eeuwen zouden er drie schrikkeldagen minder zijn (de eerste drie vervielen in 1700, 1800 en 1900); en 2. direct op donderdag 4 oktober volgde vrijdag 15 oktober. Met die laatste wijziging verdwenen er in één klap tien dagen.

Dat het er maar tien zijn, is opmerkelijk. De Juliaanse kalender liep namelijk 13 dagen voor. Het zal ongetwijfeld een bewuste keuze van de paus zijn geweest. Kennelijk wilde hij niet dat het kerstfeest zou samenvallen met de winterzonnewende. De drijfveer van die wens heb ik echter nooit kunnen achterhalen.

tot slot

Hoewel ik een hele blog aan de datum 25 december wijd, realiseer ik me dat de dag waarop we het kerstfeest vieren, van ondergeschikt belang is. De kerstboodschap staat voorop. Vrede! Niet alleen tussen mensen, maar ook binnen ons eigen hart. Daar kunnen we niet genoeg aandacht aan besteden. Misschien moeten we daarom de onduidelijkheid rond het moment van Jezus’ geboorte maar gebruiken om van elke dag een kerstfeest te maken.

de Tempelorde

Tempelorde, Orde van de Tempeliers
zegel van Orde van de Tempeliers

De Tempelorde is een ridderorde die tijdens de kruistochten een mythische status verwierf. Die status is ze nooit meer kwijtgeraakt. Bestsellers als de ‘Da Vinci Code‘ en ‘De naam van de roos‘ dichten de orde ook in deze tijd nog bijzondere macht toe. Een macht die volgens de schrijvers verbonden is aan de heilige graal.

De volledige naam van de orde luidde Pauperes commilitones Christi Templique Salomonici, oftewel Orde van de arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo. Die naam ontleenden de ridders aan hun gelofte van armoede en aan de plaats van hun hoofdkwartier: de Tempelberg.

het ontstaan van de Tempelorde

In 1099 veroverden de kruisridders Jeruzalem. Daarna trokken vele Christelijke pelgrims naar het Heilige Land. Dat was gevaarlijk, want onderweg waren alleen de steden in Christelijke handen. Het platteland ertussen werd geplaagd door Islamitische bendes. Die beroofden de pelgrims niet alleen, maar doodden ze ook. Soms met honderden tegelijk.

In 1119 nam de edelman Hugo van Payns het initiatief tot het oprichten van een ridderorde. Het doel van de orde was de pelgrims te beschermen. Vanwege het religieuze karakter ervan zette hij de orde op als een monnikenorde. De leden waren dus tegelijkertijd ridder en monnik. Vechten en bidden gingen tijdens de kruistochten goed samen.

Als monniken moesten de edellieden die tot de orde wilden toetreden, een gelofte van armoede af te leggen. Elk privébezit was verboden. Zolang ze dienst deden, werd hun vermogen door de Tempelorde beheerd.

het succes van de orde

Het idee van de orde sloeg aan en vond een pleitbezorger in de vooraanstaande geestelijke Bernard van Clairvaux. Die  wist voor elkaar te krijgen dat paus Honorius II de Tempelorde erkende. In 1139 verleende paus Innocenius II de orde zelfs een groot aantal privileges. Zo kregen de ridders vrijstelling van belasting en mochten ze ongehinderd elke landsgrens passeren.

Dankzij die privileges en dankzij haar heldere en sympathieke doel werd van de Tempelorde snel populair. Veel rijke edelen traden toe. Vanwege de gelofte van armoede, moesten die edelen hun vermogen aan de orde in beheer geven. Daardoor groeide ze uit tot de rijkste instelling van Europa. Het enorme vermogen, de belastingvrijstelling en het ongehinderd kunnen reizen maakten de orde de ideale bankier.

Halverwege de twaalfde eeuw was de orde daar zo succesvol mee, dat ze overal in Europa landerijen, kerken en kastelen bezat. Het was een dekkend netwerk van bankfilialen waar de Europese burger met zijn spaargeld of voor internationale betalingen naartoe kon. De Orde van de Tempeliers was daarmee de eerste Europese multinational.

de Tempeliers op de Tempelberg

Bij haar oprichting kreeg de Tempelorde van koning Boudewijn II van Jeruzalem toestemming haar hoofdkwartier op de Tempelberg te vestigen. Ze deed dat in de Al-Aqsamoskee die de Tempeliers zelf de Tempel van Salomo noemden. Ze meenden namelijk dat op de plek van de Al-Aqsamoskee ooit de Bijbelse tempel had gestaan.

Volgens de verhalen zijn de Tempeliers in de berg gaan graven. Zowel Umberto Eco als Dan Brown schrijven dat ze daarbij op de heilige graal zijn gestuit en aan het bezit daarvan hun grote macht hadden te danken. Daarmee borduren de twee voort op een eeuwenlange literaire traditie. Aan het begin van de 13e eeuw schreef Wolfram van Eschenbach namelijk al in zijn Parzival dat de heilige graal werd bewaakt door de “Templeisen”. Enig bewijs voor hun bezit van de heilige graal is echter nooit gevonden. Het is zelfs onduidelijk of de graal ooit heeft bestaan.

Het is wel zeker dat de Tempeliers “het ware kruis”bezaten. Dat was een stuk hout waarvan beweerd werd dat het afkwam van het kruis waaraan Jezus was gestorven. Het hout was in goud gegoten en werd vereerd als relikwie. Tijdens elke veldslag ging het de ridders vooraf. Het maakte hen onoverwinnelijk dachten ze. Tot de slag bij Hattin in 1187. Daar leden de Christenen een gevoelige nederlaag. Het grootste deel van het leger ging verloren en ook het ware kruis.

vrijdag de dertiende

Ook viel Jeruzalem in Islamitische handen. Daardoor nam de populariteit van de Tempelorde aanzienlijk af. Toch bleef hun macht groot. Dat kwam omdat ze als met leningen vorsten aan zich hadden verplicht. Hun ambitie reikte echter verder dan het bankieren. Net als de Hospitaalridders wilden ze een eigen staat. De Franse koning Philips de Schone zag dat als bedreiging. Daar had hij twee redenen voor: het zwaartepunt van de orde lag in Frankrijk en Philips stak tot over zijn oren bij de Tempeliers in de schuld.

In de vroege ochtend van vrijdag 13 oktober 1307 liet Philip gelijktijdig alle Tempeliers in Frankrijk arresteren. De beschuldigingen waren divers: spugen op het christelijk kruis, ontkenning van Jezus, homoseksualiteit, fraude en corruptie. In de gevangenis liet Philip de Tempeliers martelen. Tijdens die martelingen bekenden velen de misdaden waarvoor ze waren aangeklaagd.

Op grond van die bekentenissen vaardigde paus Clemens V een bul uit. Daarin droeg hij de andere Europese vorsten op ook in hun land de Tempeliers te arresteren. De paus wilde slechts een onderzoek naar de waarheid van de aanklachten instellen. Onder druk van Philips de Schone besloot hij echter de Tempelorde te ontbinden.

de rehabilitatie van de Tempelorde

Met die ontbinding eindigde de vervolging van de Tempelorde niet. Op 18 maart 1314 werden de leiders van de orde als ketters verbrand. Volgens de legenden riep de grootmeester van de Tempeliers vanuit de vlammen: “God weet wie gezondigd heeft en Hij zal de zondaars snel treffen”. Nog hetzelfde kalenderjaar stierven zowel Philips de Schone als paus Clemens V.

In 2001 dook in de geheime archieven van het Vaticaan het Chinon-perkament op. Dat perkament bevat de verklaringen die door de pauselijke inquisiteur waren afgenomen van de leiders van de Tempelorde. Uit aantekeningen op het perkament blijkt dat Clemens V, op grond van de verklaringen en het verdere onderzoek, had besloten de leden van de orde vrij te spreken. Het perkament is gedateerd 17-20 augustus 1308. Philips de Schone was niet blij met die vrijspraak. Daardoor moest hij namelijk alle goederen die hij verbeurd had verklaard, weer aan de orde teruggeven. En dat kon hij niet omdat hij het geld al aan zijn oorlogen had besteed. Hij zette daarom zoveel druk op de paus, dat die besloot zijn standpunt te herzien.

Op grond van het perkament en onder druk van de nabestaanden van de ordeleden heeft het Vaticaan de orde in 2007 gerehabiliteerd. Bij het 300-jarige jubileum van de arrestatie heeft het een boek uitgegeven met de facsimile’s van alle belangrijke stukken uit het archief.

De Tempelorde speelt in mijn roman ‘De Derde Tempel‘ geen rol. Ik heb de informatie hier slechts opgenomen om het verhaal van de Tempelberg compleet te maken. Nadat de Tempelberg weer in Islamitische handen kwam, is er weinig meer veranderd. Met deze pagina houdt mijn geschiedenis van de Tempelberg dus op.

de vierde bucolica

Titus, de Messias, vierde bucolica
de Messias

Zo’n veertig jaar voor de geboorte van Jezus schreef Vergilius zijn beroemde vierde bucolica. Hieronder citeer ik de bekendste regels uit dat gedicht.

Nu breekt de eindtijd aan,
die het lied van Cumae verkondigt:
de reeks era’s start opnieuw.
Ook keert weer de maagd
en het gouden rijk van Saturnus
Maar wat nieuw zal zijn,
is dat van grote hoogte,
een zoon uit de hemel neerdaalt’.

Toen ik die regels voor het eerst las, kon ik me goed voorstellen dat de Christenen hier een aankondiging van de geboorte van Jezus in lazen.

In de derde eeuwse bracht de schrijver Lactantius de vierde bucolica onder Christelijke aandacht. In zijn boek over het komende Koninkrijk Gods citeerde hij onder meer de volgende regel uit het gedicht: ‘geen kudde vreest dan nog machtige leeuwen’. Die voorspelling kende hij al uit het oude testament waarin de Joodse profeet Jesaja over het Koninkrijk Gods profeteerde dat ‘de leeuw stro zal eten als het rund‘. Lactantius beweerde toen niet dat Vergilius de komst van Jezus voorspeld had. Hij gebruikte de overeenkomsten tussen Vergilius en Jesaja slechts om aan te tonen dat de voorspelling van het Christelijke vrederijk correct was. Verdere conclusies verbond hij er niet aan.

Een eeuw later gaat kerkvader Augustinus wel een flinke stap verder door onomwonden te verklaren dat Vergilius in zijn vierde bucilica de geboorte van Jezus had aangekondigd. Dat standpunt raakte in de middeleeuwen dermate geaccepteerd dat het Vaticaan besloot de heidense dichter Vergilius heilig te verklaren. Maar was dat terecht? Om die vraag te beantwoorden, wil ik vier elementen uit het gedicht onder de loep nemen: de zoon, de maagd, de reeks era’s en het gouden rijk van Saturnus.

het gouden rijk van Saturnus

In plaats van op het Koninkrijk Gods wachtten de Romeinen op het gouden rijk van Saturnus. Zijn dat verschillende namen voor hetzelfde begrip, of verstonden de Romeinen daar wat anders onder? Saturnus heerste ooit als god over de aarde, maar werd verslagen door zijn zoon Jupiter, de Romeinse oppergod. De Romeinen verlangden echter terug naar de heerschappij van Saturnus. Waarom? De Romeinse schrijver Macrobius zegt er het volgende over: “Saturnus was geboren uit de hemel zelf”, “er was overvloed”, “slavernij bestond niet” en “alle eigendom was gemeenschappelijk”. Is dat wat Christenen onder het Koninkrijk Gods verstaan? De vroege Christenen wellicht wel, maar in de huidige tijd refereert ‘gemeenschappelijk eigendom’ eerder naar het aardse paradijs dat Karl Marx voor ogen stond.

de reeks era’s

Evenals de Maya’s geloofden de Romeinen dat de geschiedenis cyclisch was en zich dus telkens zou herhalen. De geschiedenis begon met het gouden tijdperk van Saturnus, waarin alles in overvloed was. Daarna kwam Jupiter aan de macht en begon het zilveren tijdperk waarin de mens moest werken voor zijn eten: de landbouw deed zijn intrede. Op het zilveren tijdperk volgde het bronzen tijdperk. Van brons werden wapens gesmeed en daarmee kwam de oorlog in ons leven. De laatste era was die van de Romeinen zelf, het ijzeren tijdperk noemden ze dat. In die periode ontstond de misdaad. Het ijzeren tijdperk werd afgesloten met de eindtijd, of de wereldbrand, zoals de Stoïcijnen die noemden, en dan begon de cyclus opnieuw. De vierde bucolica is vanuit dat wereldbeeld geschreven en wijkt dus af van de Christelijke kijk op de toekomst: een eeuwigdurend Koninkrijk Gods.

de maagd

Net als het kerstverhaal kent ook de vierde bucolica een maagd. Alleen is het geen maagd die de zoon baart, maar een maagd die terugkeert. Virgo heet ze in het Latijn, Astraea in het Grieks. Ze was de godin van de rechtvaardigheid en de laatste godin die tussen de mensen op aarde leefde. Tot het ijzeren tijdperk wist ze dat vol te houden. Toen is ze gevlucht voor alle misdaden die de mensheid beging. Maar na de eindtijd zal ze terugkeren en zal de wereld weer rechtvaardigheid kennen; zo geloofden de Romeinen althans.

de zoon uit de vierde bucolica

Zoals gezegd, vereenzelvigen Christenen de zoon uit de vierde bucolica met hun Messias Jezus. Dat kunnen ze doen omdat Vergilius zelf niet expliciet is over de aard van het kind. Uit de vierde bucolica blijkt zelfs niet of het kind al geboren was in zijn tijd. Andere Romeinse schrijvers geven echter concretere informatie over de komende ‘vredevorst’. Suetonius schreef bijvoorbeeld dat in Judea iemand zou opstaan die de wereldheerschappij op zich zou nemen. Tacitus noemde zelfs een naam. Of eigenlijk twee: keizer Vespasianus en zijn zoon Titus.

Ook een van de hoofdpersonen uit mijn roman ‘De Derde Tempel‘, de Joodse schrijver en priester Flavius Josephus, verklaarde in zijn boeken over de Joodse oorlog dat de Messiaanse profetie betrekking had op keizer Vespasianus. Maar hij kon ook niet veel anders. Hij had de boeken namelijk in opdracht van Vespasianus geschreven.

Josephus schreef de passage terwijl Vespasianus nog in leven was. In mijn roman ontwikkelt Josephus’ inzicht zich na Vespasianus’ dood verder. Op basis van de aankondigingen van de Messias in de Thora concludeert hij dat niet Vespasianus, maar Titus de Messias is. Niet de vader maar de zoon dus, zoals Vergilius al schreef. En de zoon blijkt ook nog bereid de derde Joodse tempel te bouwen. Josephus is er dan ook kapot van als Titus voortijdig sterft.

Julianus Apostata

Julianus Apostata
Julianus Apostata

Julianus Apostata (oftewel ‘de Afvallige’) werd in 331 CE, onder de naam Flavius Claudius Julianus, geboren als neef van keizer Constantijn de Grote.

In 337 CE, stierf Constantijn de Grote. Tijdens de machtsstrijd die op zijn dood volgde, werden vrijwel al diens manlijke verwanten vermoord. Het was een wonder dat de zesjarige Julianus die slachting overleefde.

In november 361 CE werd Julianus zelf keizer. Vanaf die tijd heet hij Julianus Apostata. Die naam kreeg hij omdat hij kort na zijn troonsbestijging het Christendom verwierp en terugkeerde naar de oude Romeinse goden. Hij ontpopte zich als een fervent bestrijder van de Christenen. Om het Christendom in zijn diepste wezen te raken, gaf hij opdracht de derde Joodse tempel te bouwen.

de jeugd van Julianus Apostata

Julianus Apostata is in 331 CE geboren als zoon van Julius Constantius en diens tweede vrouw Basilina. Basilina stierf kort na Julianus’ geboorte, zodat Julius de opvoeding  van zijn zoon alleen ter hand moest nemen. Dat deed hij naast zijn bestuurlijke loopbaan, die tijdens het vierde levensjaar van Julianus zijn hoogtepunt bereikte. Julius’ halfbroer, keizer Constantijn de Grote, benoemde hem in 335 CE namelijk tot consul.

In 306 CE was Constantijn de Grote keizer van het Romeinse rijk geworden. Direct vanaf zijn aantreden begon hij met het bevorderen van het Christendom in zijn rijk. Na eeuwenlange vervolging ontvingen de Christenen opeens privileges. Ook kregen ze alle vrijkomende bestuursposten toebedeeld.

Op 22 mei 337 CE stierf Constantijn de Grote. Diens drie zoons grepen toen de macht en om elke concurrentie uit te schakelen, vermoordden ze al hun manlijke familieleden. Ook de vader van Julianus behoorde tot hun slachtoffers. Hun neef Julianus spaarden ze echter. Waarschijnlijk vanwege zijn jonge leeftijd (zes jaar).

Een van de zoons van Constantijn de Grote, keizer Constantius II, ontfermde zich over de jongen. Hij regelde een gedegen opvoeding, die op twee pijlers rustte: een religieuze en een wereldlijke. Bisschop Eusebius van Nicomedia nam het Christelijke gedeelte op zich. Hij onderwees Julianus in theologie en moraal. Daarnaast volgde Julianus Apostata de klassieke opleiding die alle jongeren uit de Romeinse elite kregen. Eerst leerde hij Grieks en Latijn van een grammaticus en daarna kreeg hij welsprekendheid van een vooraanstaande retor. Na die gebruikelijke basisopleiding studeerde Julianus bij enkele beroemde filosofen. De Neoplatonist Maximus van Efeze had de meeste invloed op hem.

op weg naar de troon

In 355 CE, Julianus was toen vierentwintig, benoemde Constantius II hem tot Caesar, oftewel onderkeizer. Hij kreeg het opperbevel over de troepen in het westen. Hoewel hij geen militaire opleiding had genoten, bleek hij een bekwaam generaal. Hij won slag na slag, ook tegen de Germanen. De hele westelijke Rijnoever voegde hij weer toe aan het Romeinse rijk.

Zijn succes maakte Julianus Apostata populair bij het westelijke leger. Té populair besloot keizer Constantius II. Hij vreesde Julianus’ macht en gaf opdracht dat de helft van zijn troepen aan de oostelijke legers toegevoegd moesten worden. Julianus verzette zich daar niet tegen. Zijn troepen wel. Er brak een opstand uit en zijn troepen benoemde hem tot keizer.

Toen Constantius II het nieuws hoorde , bestempelde hij Julianus Apostata tot vijand van de staat. Julianus moest nu vrezen voor zijn leven.  Hij besloot het initiatief te nemen en trok met zijn troepen naar het keizerlijk paleis te Constantinopel. Zover hoefde hij echter niet te gaan. Op 3 november 361 CE overleed Constantius II en benoemde Julianus Apostata tot zijn erfgenaam.

Julianus als keizer

Het eerste wat Julianus als keizer deed, was de corruptie binnen de overheid aanpakken. Corrupte ministers werden  door een tribunaal tot verbanning of de dood veroordeeld. Daarnaast hevelde hij veel taken over van het rijk naar de gemeenten. Die reorganisatie kostte duizenden rijksambtenaren hun baan.

In de vierde eeuw stoelde de macht van de keizer op het leger. Dat bestond toen uit een westelijk en oostelijk deel. Het westelijke leger was loyaal aan Julianus. Het oostelijk leger niet. Julianus wilde ook  die soldaten aan zich binden en hoopte dat te doen door ze naar overwinningen te leiden. De vijand die hij daarvoor uitkoos, waren de Perzen.

Als aanvoerder van zo’n 80.000 man trok Julianus Apostata langs de Eufraat naar de Perzische hoofdstad Ctesiphon. Die stad was al vaker door de Romeinen ingenomen en telkens met een rijke buit. Dit keer liep het avontuur echter minder goed af. Na een eerste Romeinse overwinning trokken de Perzen zich terug achter de stadsmuren en sloten de poorten. Hun hoofdmacht was evenwel nog onderweg en zou snel arriveren. Dat scenario had Julianus niet voorzien en het plaatste hem voor een fors probleem. Als hij de stad zou belegeren, zou de Perzische hoofdmacht hem in zijn rug aanvallen en als hij tegen de hoofdmacht optrok, zou hij zonder voorraden komen te zitten. Hij besloot zich terug te trekken en via het noorden naar Constantinopel terug te keren. Een fatale beslissing. Op de terugtocht werd zijn leger verslagen en sneuvelde hijzelf.

zijn strijd tegen de Christenen

Julianus Apostata was gedoopt en Christelijk opgevoed. Onder keizer Constantius II was hij waarschijnlijk ook belijdend. Zodra hij echter keizer werd, zwoer hij het geloof af. Vanaf dat moment bestreed hij het Christendom. Hij vervolgde Christenen niet, in het verleden had dat alleen maar averechts gewerkt, maar ontnam ze hun privileges. Zijn idee was dat als de elite terugkeerde naar de oude staatsgodsdienst, het volk vanzelf zou volgen.

De belangrijkste maatregelen die Julianus nam, waren:
1.     Hij bepaalde dat er godsdienstvrijheid in het Romeinse rijk gold.
2.     Hij heropende de oude Romeinse tempels.
3.     Hij trok de rijkstoelagen van de bisschoppen in.
4.     Hij benoemde de leraren van de door de staat gefinancierde scholen.
5.     Hij liet dissidente bisschoppen terugkeren, die de kerk had verbannen.
6.     Hij gaf opdracht de derde Joodse tempel te bouwen.

de bouw van de derde tempel

In zijn Bijbelse openbaring (21.22) schets Johannes een beeld van het nieuwe Jeruzalem: “En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam.” Julianus Apostata legde dat visioen zo uit, dat er volgens de Bijbel nooit meer een tempel in Jeruzalem zou verrijzen. Om het ongelijk van de Bijbel aan te tonen, besloot hij de derde tempel te bouwen. Zijn vriend en historicus Ammianus Marcellinus schreef het volgende over dat besluit.

Om de herinnering aan zijn keizerschap te laten voortleven in grote werken, besloot hij de imposante tempel van Jeruzalem, die na een lange en bloedige strijd en belegering door Vespasianus en Titus was veroverd, ondanks de enorme kosten te laten herstellen. De aanpak ervan droeg hij op aan Alypius van Antiochië, die eerder vice-prefect van Brittannië was geweest. Toen deze echter met hulp van de gouverneur enthousiast aan de slag ging, spoten er uit de fundamenten van de tempel telkens fonteinen van vuur omhoog. Die doden enkele bouwvakkers en hielden de rest op afstand. Het project moest daarom worden opgegeven.

Over de oorzaak van het mislukken van de herbouw van de tempel is veel gespeculeerd. Een eenduidige reden is nooit gevonden. De Christenen zien het als een direct ingrijpen van God. De Joden wijten het aan het overlijden van Julianus Apostata. Hij stierf enkele maanden nadat hij de opdracht tot bouw van de derde tempel had gegeven.

De regeerperiode van Julianus Apostata valt meer dan twee eeuwen na de historie die ik in mijn roman ‘De Derde Tempel‘ beschrijf. Dat ik op deze website toch een artikel over hem heb opgenomen, is omdat ik het thema van de derde Joodse tempel vanuit zoveel mogelijk perspectieven wil belichten.

Theodora en Sisinnius

Theodora, Fonseca bust
Theodora (Fonseca buste)

Als je de foto hiernaast ziet, kun je je moeilijk voorstellen dat Theodora en Sisinnius twee katholieke heiligen zijn. Toch ken ik het stel uit de kerk, uit de Basilica di San Clemente al Laterano om precies te zijn. Daar in de kelder trof ik hun legende aan, uitgebeeld in drie fresco’s.

Het verhaal van Theodora en Sisinnius is verbonden aan dat van paus Clemens I. Volgens de katholieke kerk was hij namelijk degene die het echtpaar uit de senatorenstand (de hoogste stand in de Romeinse tijd) tot het Christendom bekeerde.

Mijn roman begint echter decennia voor die tijd en als schrijver stond ik voor de vraag hoe hun leven er toen uit moet hebben gezien. Ik ging daarom op zoek naar beelden en achtergronden. Wat Theodora betreft, was ik er snel uit: mijn favoriete buste uit de Flavische tijd is de ‘Fonseca buste‘ en toen die in alle opzichten bleek te voldoen, koos ik haar als model.

De buste is een beeld van een vrouw die behoorde tot de senatorenstand en haar kapsel is kenmerkend voor de Flavische periode. Het is overigens de vraag of de krullen echt zijn. Veel Romeinse vrouwen uit haar tijd droegen haarstukjes of zelfs hele pruiken.

de legende van Theodora en Sisinnius

legende Theodora en Sisinnius, basiliek St. Clemens, Rome
Legende Theodora en Sisinnius

De fresco hiernaast toont een deel van de katholieke legende van senatorenechtpaar. Ze begint op het moment dat Theodora zich al had laten bekeren. Haar man Sisinnius was het niet met die keuze eens. Hij vreesde de gevolgen. Keizer Domitianus stond namelijk bekend als Christenvervolger en de lichtste straf die hij voor ‘atheïsme’ uitsprak was de verbanning naar een onherbergzaam oord.

Omdat Theodora niet naar de smeekbedes en argumenten van haar man wilde luisteren, beproefde Sisinnius zijn geluk bij paus Clemens I. In eerste instantie probeerde hij de paus te overreden. Toen dat niet lukte, greep hij naar zwaardere middelen. Hij huurde drie vechtersbazen in om Clemens te ontvoeren en aan de keizer voor te geleiden.

Ver kwamen ze niet. Doordat God ingreep. Zoals uit het onderste deel van de fresco blijkt, strooide de Almachtige zand in de ogen van Sisinnius en zijn mannen. Daardoor zeulden ze in plaats van Clemens een pilaar mee naar buiten. Aangezien zo’n passage op de moderne lezer ongeloofwaardig overkomt, heb ik die uit mijn roman weggelaten. In plaats daarvan heb ik een wending verzonnen die dicht bij de geest van de legende blijft.

Na de mislukte ontvoering wordt Sisinnius ernstig ziek. Als de Romeinse artsen hem hebben opgegeven, vraagt Theodora aan Clemens om aan het ziekbed van haar man te bidden. Het wonder geschiedt: Sisinnius geneest en treedt, als eerste senator tot de kerk toe.

het beeld van Sisinnius

senator Sisinnius, Theodora, basiliek St. Clemens
Sisinnius

Terwijl ik bij Theodora direct wist, dat zij de vrouw van de Fonseca buste moest zijn, kostte het me moeite om bij echtgenoot een passend beeld te vinden. Pas toen ik de eerste ruwe schets van mijn verhaal af had, lukte het me een geschikte kop vinden. Toen wist ik namelijk pas wat voor man het was.

Bij de verdere detaillering van Sisinnius ben ik van het beeld hiernaast uitgegaan. Het is van een onbekende man uit de eerste eeuw. De reden dat ik het passend vond, is dat zowel het beeld als de Sisinnius uit de legende geen bijster intelligente indruk wekken. Misschien doe ik er het oorspronkelijke model onrecht mee aan, maar zijn kop is gehouwen voor de rol die Sisinnius in mijn roman speelt.

Plinius Minor

Plinius Minor, de Jongere
Plinius Minor

Van weinig Romeinen weten we zoveel als van Plinius Minor. Dat is niet alleen te danken aan de geschriften die Plinius ons heeft nagelaten, maar ook aan een inscriptie die is gevonden in een kerk in Milaan.

Van Plinius Minor zijn twee werken overgeleverd. Het bekendst zijn de brieven die hij heeft gepubliceerd. Daarnaast heeft hij een dankrede aan keizer Trajanus geschreven.

In die dankrede – Panegyricus in het Latijn – bedankt Plinius Minor keizer Trajanus voor zijn benoeming tot consul in 100 CE. Plinius heeft de rede (in verkorte vorm) persoonlijk in de senaat uitgesproken.

De rede geeft een goed beeld van Plinius Minor. Hij bedankte de keizer door hem een flink aantal veren in de broek te steken. Dat deed hij door Trajanus te vergelijken met een eerdere keizer, namelijk met Domitianus, en natuurlijk pakte dat in Trajanus’ voordeel uit. Het was het Plinius’ goed recht om de keizer voor zijn promotie te danken, maar wat mij bij het lezen ervan de wenkbrauwen doet fronsen, is dat Plinius Minor een bliksemcarrière heeft gemaakt onder Domitianus en dat hij in die periode geen kritisch woord over diens bewind heeft geuit. Zelf schrijft Plinius daarover: “”Wij lopen achter onze keizer aan, ook als hij een slechte is.”

de brieven van Plinius Minor

Bij het schrijven van mijn roman ‘De Derde Tempel‘ heb ik gebruik gemaakt van 7  van de 357 brieven die Plinius Minor heeft gepubliceerd. In twee daarvan komt Quintilianus voor. Veel staat daar niet over de retor in, maar ze tonen wel onomstotelijk aan dat Plinius Minor een dagelijkse student van hem was.

Twee andere brieven gaan over de uitbarsting van de Vesuvius die Herculaneum en Pompeji vernietigde. Plinius Minor was ooggetuige van die ramp en daarom zijn de brieven van grote waarde. In de eerste brief beschrijft hij de dood van zijn oom Plinius Maior, die, als admiraal van de Romeinse westelijke vloot, naar de voet van de vulkaan voer om daar bewoners te redden die door de uitbarsting waren ingesloten. Helaas kwam Plinius Maior bij die reddingsactie om. In de tweede brief vertelt Plinius Minor hoe hij met zijn moeder uit hun woonplaats Misenum vlucht terwijl aswolken op hen neerdalen.

De twee beroemdste brieven die Plinius Minor heeft gepubliceerd, zijn die over de Christenvervolging. Als gouverneur van Bithynië vroeg hij keizer Trajanus hoe hij met de Christenen moest omgaan. De keizer antwoordde hem dat hij ze niet hoefde op te sporen, maar wel moest berechten als ze werden aangebracht. De veroordeelden werden vervolgens in de gelegenheid gebracht om hun geloof verloochenden door een reukoffer aan de Romeinse goden te brengen. Als ze dat deden, kregen ze vergeving.

De laatste brief die ik in mijn roman heb verwerkt, gaat over de dood van de Vestaalse maagd Cornelia. Vestaalse maagden hadden een kuisheidsgelofte afgelegd en als ze die verbraken werden ze levend begraven. Domitianus had Cornelia tot die gruwelijke straf veroordeeld, maar er bestond grote twijfel of dat terecht was. De bekentenis van haar liefdespartner was namelijk op de pijnbank afgelegd.

De inscriptie met de carrière van Plinius Minor

inscriptie Plinius Minor, de Jongere, carrière
inscriptie carrière Plinius Minor

Het donkere stuk in de foto hierboven is het fragment van de inscriptie dat is gevonden in de middeleeuwse basiliek van Sint Ambrosius in Milaan. De tekst is aangevuld op basis van een beschrijving die een reiziger in de vijftiende eeuw heeft gemaakt.

De inscriptie geeft een chronologisch overzicht (in omgekeerde volgorde) van de loopbaan van Plinius Minor. Dat is niet alleen interessant omdat we zo iets over het leven van Plinius Minor leren, maar ook omdat het carrièreverloop kenmerkend is voor een zoon uit een gegoede Romeinse familie.

De eerste functie die Plinius Minor bekleedde, was die van rechter. Daarna werd hij achtereenvolgens militair tribuun, ruiterofficier, keizerlijk woordvoerder, volkstribuun, officier van Justitie en minister van Financiën. Deze functies had hij allemaal aan keizer Domitianus te danken. Diens opvolger Trajanus benoemde hem tot consul, toezichthouder over de riolen en de Tiber, en gouverneur over Bithynië. In die laatste functie kreeg hij van de keizer een blanco volmacht om de orde in de provincie te herstellen.

Mijn roman beschrijft hem als keizerlijk woordvoerder en als volkstribuun. In die functies doet hij braaf alles wat de waanzinnige keizer Domitianus hem opdraagt.