feiten over ‘De Derde Tempel’

feiten en verantwoording
de inhoud onder de loep

De Derde tempel‘ is een historische roman. De term ‘historische roman’ bestaat uit twee delen: ‘historisch’, wat feiten suggereert, en ‘roman’, wat voor fictie staat. Mijn roman vermengt dus feiten en fictie.

Bij sommige lezers zal dat de vraag zal oproepen wat waar is en wat niet. Om die vraag te beantwoorden, zou ik mijn roman kunnen voorzien van voetnoten die per feit aangeven op welke bron het berust. In mijn werkdocument heb ik dat zo gedaan, maar in de gedrukte versie zullen die noten verdwijnen. ‘De Derde Tempel’ richt zich op een doelgroep die gewoon van lekker lezen houdt en die mensen wil ik niet lastig vallen met zevenhonderd voetnoten.

Toch wil ik me over de betrouwbaarheid van mijn informatie verantwoorden en daarom geeft ik hieronder een overzicht van het gebruik van mijn bronmateriaal.

feiten over de personages

Om te beginnen wil ik melden dat alle karakters in mijn roman echt hebben bestaan. Bijna allemaal zijn ze ook terug te vinden in de geschiedschrijving over de eerste eeuw.

Over de keizerlijke familie, hun bondgenoten en hun moordenaars is uitvoerig geschreven door de schrijvers: Cassius Dio, Suetonius, Tacitus, Plinius Minor en Flavius Josephus. Uit hun werk heb ik de gegevens gehaald over de Flavische keizers zelf en over Agrippa, Berenice, Epaphroditus en Stephanus. Voor meer informatie over de werken van de hierboven genoemde historici verwijs ik naar de literatuurlijst.

Voor de karakters Flavius Josephus, Quintilianus en Plinius Minor, en voor hun familie, gebruik ik voornamelijk informatie die zij over zichzelf hebben geschreven.

Ik heb ook geput uit de religieuze geschriften uit die tijd. De pausen Anacletus en Clemens I worden beschreven door Eusebius; over Jochanan ben Zakkai is veel informatie te vinden in de Talmoed; en Theodora en Sisinnius figureren in de Katholieke heiligenverhalen.

Alleen over Tatia wist ik niets. Het enige wat ik van haar had was een naambordje dat in de catacomben van Domitilla aan de wand hing.

afwijkingen van de feiten

Waar ik het idee had dat de hierboven genoemde geschiedschrijving objectief was, heb ik die als stringent kader gebruikt. Alles wat ik aan verhaal erbij verzon, moest daarbinnen passen.

Van dat kader ben ik op drie manieren afgeweken:

1.        Alle ruimte die de geschiedschrijvers hebben opengelaten, heb ik benut om het verhaal tot een roman te maken. De belangrijkste elementen die ik zelf heb aan het verhaal heb toegevoegd zijn:
a.        de voorbereiding van de moord door Quintilianus, Josephus en Clemens;
b.        hun motivatie daartoe;
c.        de romances tussen Quintilianus en Egeria, en Clemens en Tatia.
Bij alle drie de samenzweerders heb ik bij de invulling van hun karakters zo nauw mogelijk aangesloten bij het beeld dat uit de primaire bronnen naar voren komt. Als voorbeeld noem ik Josephus’ wens dat de Joodse tempel herbouwd wordt. Hij heeft het er in zijn werk nooit over, maar ik kan me niet voorstellen dat hij, als Joodse priester, iets anders had gewild.

2.        Waar ik het idee had dat de primaire bronnen overdreven of zelfs logen, ben ik op zoek gegaan naar de feiten achter de verhalen. Dat deed zich bijvoorbeeld voor waar Flavius Josephus over zijn eigen rol in de oorlog schreef. Uit alles merkte ik dat hij over dat verleden in Rome werd aangevallen en dat hij probeerde zijn daden te verdoezelen of goed te praten. Een ander voorbeeld zijn de oudste heiligenverhalen uit de Katholieke traditie. Niet alle wonderen die daarin worden beschreven, komen op de hedendaagse lezer geloofwaardig over. Daarom heb ik het verhaal van Theodora en Sisinnius flink moeten aanpassen.

3.        Ook waar de primaire bronnen elkaar tegenspraken heb ik een eigen invulling aan het verhaal gegeven. Bijvoorbeeld in de epiloog, waar ik de aanslag op Domitianus beschrijf. Zowel Cassius Dio als Suetonius schrijven de moord toe aan Stephanus, maar over degenen die erbij aanwezig zijn, verschillen ze van mening. Geen van beiden noemt Quintilianus, maar nu beide versies niet overeenstemmen, heb ik de vrijheid genomen hem aan de aanwezigen toe te voegen. Dat bespaart me de introductie van een nieuw perspectief.

de vijf Clemensen

Een bijzonder probleem vormen de ‘Clemensen’. De Christelijke literatuur over de eerste eeuw kent er vijf: de paus, de briefschrijver, de martelaar, de neef van de keizer en de medewerker van Paulus. In de Katholieke traditie zijn die vijf versmolten tot één persoon, maar op basis van de eerste brief van Clemens kan dat niet juist zijn. De eerste twee (paus en briefschrijver) zijn duidelijk dezelfde persoon. Dat geldt ook voor drie en vier (martelaar en neef).  Deze twee personen zijn echter niet identiek en geen van beiden heeft ooit als medewerker van Paulus gewerkt. Er zijn dus tenminste drie Clemensen, waarvan er in mijn roman twee voorkomen: de paus en de martelaar. Om hen uit elkaar te houden, noem ik ze Clemens en Flavius Clemens.