over Marcus Makkelie

Marcus Makkelie, Steven Koning, Steef Koning
klik op de foto voor achtergrondinformatie

Mijn ouders waren (en zijn) overtuigde atheïsten. Godsdienst is opium voor het volk, zo werd me al vroeg bijgebracht. In de loop der jaren sleten weliswaar hun idealen, maar hun wereldbeeld wijzigde daardoor niet. Ze bleven Epicuristen: religie bracht geen verlossing, alleen door de natuurwetten te bestuderen kon de mens zich verheffen.

Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Ik was wat je noemt een bèta. Van kindsbeen af hield ik van wiskunde en de exacte vakken. En, zoals dat wel vaker gaat bij passies, ik blonk er ook in uit. Zonder enige inspanning behaalde ik er de hoogste resultaten in. Huiswerk maken hoefde ik niet, mijn vrije tijd bracht ik spelend door. Met bèta dingen natuurlijk weer. Dammen, schaken en kaarten deed ik het liefst, maar ook met elektriciteit knoeien vond ik heerlijk.

mijn opa

Ook anderszins zat het me mee. Mijn ouders werkten allebei en konden daardoor minder aandacht aan hun kinderen besteden, maar dat was geen enkel probleem, want daartegenover stond dat mijn opa bij ons in huis woonde en er altijd voor me was. Hij regelde de lunch, stopte me snoep toe voor in de pauze, gaf me wekelijks zakgeld en nam me mee op uitjes. Vooral aan de fietstochten die ik met hem door de polder maakte, denk ik nog steeds met heimwee terug. “Ik heb een moeilijke jeugd gehad Marcus”, zei mijn opa altijd, “en die wil ik jou besparen.”

Het is hem meer dan gelukt. Tot ik naar de universiteit ging, leidde ik een onbekommerd leven. Ook van de eerste drie maanden wiskunde genoot ik nog. Rond de jaarwisseling ging het pas mis. Mijn opa werd opgenomen; eerst in het ziekenhuis en later in een verpleeghuis; een naar plas en poep stinkend gebouw waar de bewoners mopperend voor zich uit staarden. Mijn opa haatte het daar en liep vaak weg. Als de verpleegsters dat probeerden te verhinderen, sloeg hij hen met zijn looprek. En dat werkte, want de deur ging altijd voor hem open.

dementie

Helaas strookte het niet met het beleid van het tehuis en dat beleid ging boven mijn opa. Om hem inpasbaar te maken, spoten ze hem plat. Binnen een halfjaar was hij dement. Hij herkende niemand meer. Als ik op bezoek kwam, had hij het wel altijd over me. “Marcus komt me hieruit halen” zei hij dan. Maar hij realiseerde zich niet dat ik naast hem zat en machteloos toekeek. Vreselijk vond ik het. Het verdriet en de frustratie die het me bezorgde, stortten me in een diepe depressie. Ik versliep de hele dag en ’s nachts verdronk ik mijn pijn. Dat kon zo niet langer, besloot ik op een dag. Mijn leven moest veranderen. Het was duidelijk dat wiskunde en de natuurwetenschappen mij niet verder brachten. Daarom ging ik ging rechten studeren, in de hoop iets beters voor mijn opa te kunnen regelen.

Die betere oplossing is er nooit gekomen. Nog steeds vraag ik me af hoe we menswaardig met onze ouderen kunnen omgaan. Wat wel veranderde is dat de pijn die het lot van mijn opa teweegbracht, met de jaren afnam. Ik kreeg weer lol in het leven. Dankzij de liefde, dankzij familie en vrienden, en dankzij het werk dat ik deed. Ik maakte beleid. Eerst binnen een vakbond en later op een ministerie. Het was niet de baan waarvan ik op de lagere school al had gedroomd, maar het werk was uitdagend en verdiende goed. Ik was tevreden en dreigde zelfgenoegzaam in slaap te sukkelen, totdat ik met een harde klap werd wakkergeschud.