Epaphroditus

Epaphroditus, Flavius Josephus, Nero
Epaphroditus

De naam Epaphroditus komt regelmatig voor in de klassieke oudheid. Het is een slavennaam. De letterlijke betekenis ervan is ‘bij Aphrodite’. Aangezien Aphrodite de godin van de schoonheid is, duidt de naam erop dat de drager ervan een knappe man was. Het is daarnaast goed mogelijk dat de betreffende slaaf zijn meester of meesteres gelukkig maakte met het verrichten van seksuele diensten.

In de Flavische periode komt de naam Epaphroditus op drie manieren voor:
1. als de naam van een Griekse grammaticus;
2. als de naam van een vrijgelatene van Nero;
3. als de naam van de literaire patroon van Josephus.

De vraag is, of het hier om drie verschillende personen gaat, of dat dezelfde persoon op verschillende manieren wordt beschreven.

er is maar één Epaphroditus

Flavius Josephus beschrijft zijn patroon als iemand met een warme belangstelling voor cultuur en historie. Aangezien hij als beschermheer van Josephus optrad, moet hij daarnaast zeer rijk en vooraanstaand zijn geweest. Die karakteristieken golden niet alleen voor de patroon van Josephus, ook de Epaphroditi onder 1 en 2 waren (extreem) rijk en cultureel ingesteld. Dat, en het feit dat ze in exact dezelfde periode leefden, maakt het voor mij aannemelijk dat de drie identiek waren.

Er zitten ook nauwelijks tegenstrijdigheden tussen de bronnen die de verschillende Epaphroditi beschrijven. Slechts op één punt spreken ze elkaar tegen, namelijk wat betreft het sterftejaar van Epaphroditus. Volgens Cassius Dio sterft Epaphroditus (2) in 95 CE, terwijl de Suda meldt dat Epaphroditus (1) in 98 CE overlijdt. Aangezien de Suda zo’n 900 jaar na de dood van Epaphroditus is geschreven, zoek ik de oorzaak van dat verschil eerder in de onnauwkeurig van de overlevering dan in het bestaan van twee of meer verschillende vooraanstaande Epaphroditi in de Flavische periode.

wat is er over Epaphroditus bekend?

Uitgaande van mijn stelling dat er maar één Epaphroditus is, kom ik tot de volgende levensbeschrijving. Nadat hij in Griekenland als slaaf in het huishouden van een grammaticus was geboren, leerde hij van zijn meester lezen en schrijven. Hij werd gekocht door een Romeinse ridder die hem voor zijn trouwe dienst beloonde door hem vrij te laten.

Als vrijgelatene verwierf hij een vooraanstaande positie aan het keizerlijk hof en werd een van de vertrouwelingen van Nero. Hij bleef loyaal aan zijn keizer, ook toen die werd afgezet en moest vluchten. Hij vluchtte met Nero mee en toen de (ex-)keizer besloot zelfmoord te plegen, hielp hij hem daarbij.

Na de dood van Nero hield Epaphroditus zich verre van de politiek. Hij begon te schrijven en hielp andere schrijvers in zijn omgeving. Zo wordt hij genoemd als (literair) patroon van Flavius Josephus en de Griekse filosoof Epictetus.

Pas in de tijd van keizer Domitianus verscheen Epaphroditus weer aan het hof. Niet voor lang echter, want Domitianus veroordeelde hem ter dood. De keizer gebruikte daarvoor het volgende argument: “hij had Nero moeten verdedigen in plaats van helpen zelfmoord te plegen”. Met die veroordeling gaf Domitianus een signaal af naar zijn eigen vrijgelatenen.

cliëntelisme

Zoals gezegd, was Epaphroditus de patroon van Josephus. Wat hield die relatie in? In elk geval, zoals Josephus zelf schrijft, dat Epaphroditus hem stimuleerde tot schrijven. Ook is het aannemelijk dat hij Josephus heeft geholpen met zijn Grieks. Het eerste werk van Josephus, Bellum Iudaicum, was namelijk oorspronkelijk geschreven in het Aramees en pas later naar het Grieks vertaald. Dat kan op twee manieren worden verklaard. Sommige geleerden wijzen erop  dat het publiek waarvoor Josephus schreef de Joden in het oosten van het Romeinse rijk waren en die spraken Aramees. Een andere mogelijkheid is echter dat Josephus’ kennis van het Grieks in zijn eerst jaren als schrijver ontoereikend was. Wat de ware oorzaak was, zullen we nooit achterhalen. Wel weten we dat Josephus zijn latere werk direct in het Grieks heeft geschreven.

Naast literaire bijstand kan Epaphroditus ook geldelijke steun aan Josephus hebben verleend. Dat was een gebruikelijk gang van zaken in de Romeinse tijd. Iedere Romein van naam had een clientèle die bestond uit mensen die financieel van hem afhankelijk waren. Regelmatig kwamen die bij hun patroon langs om hun toelage op te halen. In ruil daarvoor verleende zij hem dan politieke steun en fungeerden ze als klapvee bij redevoeringen en processen. Of Josephus tot de clientèle van Epaphroditus behoorde, is onbekend. Dat hij een toelage ontving is zeker, maar we weten niet van wie.

In mijn roman ‘De Derde Tempel‘ laat ik die vraag in het midden. Epaphroditus speelt erin ook maar een kleine rol.