Plinius de Jongere

Plinius de Jongere, Minor
Plinius de Jongere

Van weinig Romeinen weten we zoveel als van Plinius de Jongere. Dat is niet alleen te danken aan de geschriften die Plinius ons heeft nagelaten, maar ook aan een inscriptie die is gevonden in een kerk in Milaan.

Van Plinius de Jongere zijn twee werken overgeleverd. Het bekendst zijn de brieven die hij heeft gepubliceerd. Daarnaast heeft hij een dankrede aan keizer Trajanus geschreven.

In zijn dankrede – Panegyricus in het Latijn – bedankt Plinius de Jongere keizer Trajanus voor zijn benoeming tot consul in 100 CE. Plinius heeft de rede (in verkorte vorm) persoonlijk in de senaat uitgesproken.

De rede geeft een goed beeld van Plinius de Jongere. Hij bedankte de keizer door hem een flink aantal veren in de broek te steken. Dat deed hij door Trajanus te vergelijken met een eerdere keizer, namelijk met Domitianus, en natuurlijk pakte dat in Trajanus‘ voordeel uit. Wat mij bij het lezen ervan echter de wenkbrauwen doet fronsen, is dat Plinius de Jongere een bliksemcarrière heeft gemaakt onder Domitianus en dat hij in die periode geen kritisch woord over diens bewind heeft geuit. Zelf schrijft Plinius daarover: “”Wij lopen achter onze keizer aan, ook als hij een slechte is.”

De brieven van Plinius de Jongere

Bij het schrijven van mijn roman het ik gebruik gemaakt van 7  van de 357 brieven die Plinius de Jongere heeft gepubliceerd. In twee daarvan komt Quintilianus voor. Veel staat daar niet over de retor in, maar ze tonen wel onomstotelijk aan dat Plinius de Jongere een dagelijkse student van hem was.

Twee andere brieven gaan over de uitbarsting van de Vesuvius die Herculaneum en Pompeji vernietigde. Plinius de Jongere was ooggetuige van die ramp en daarom zijn de brieven van grote waarde. In de eerste brief beschrijft hij de dood van zijn oom Plinius de Oudere, die als admiraal van de Romeinse westelijke vloot naar de voet van de vulkaan voer om daar bewoners te redden die door de uitbarsting waren ingesloten. Helaas kwam hij bij die reddingsactie om. In de tweede brief vertelt Plinius de Jongere hoe hij met zijn moeder uit hun woonplaats Misenum vlucht terwijl aswolken op hen neerdalen.

De twee beroemdste brieven die Plinius de Jongere heeft gepubliceerd, zijn die over de Christenvervolging. Als gouverneur van Bithynië vroeg hij keizer Trajanus hoe hij met de Christenen moest omgaan. De keizer antwoordde hem dat hij ze niet hoefde op te sporen, maar wel moest berechten als ze werden aangebracht. De veroordeelden werden vervolgens in de gelegenheid gebracht om hun geloof verloochenden door een reukoffer aan de Romeinse goden te brengen. Als ze dat deden, kregen ze vergeving.

De laatste brief die ik in mijn roman heb verwerkt, gaat over de dood van de Vestaalse maagd Cornelia. Vestaalse maagden hadden een kuisheidsgelofte afgelegd en als ze die verbraken werden ze levend begraven. Domitianus had Cornelia tot die gruwelijke straf veroordeeld, maar er bestond grote twijfel of dat terecht was. De bekentenis van haar liefdespartner was namelijk op de pijnbank afgelegd.

De inscriptie met de carrière van Plinius de Jongere
inscriptie Plinius de Jongere, Minor, carrière
inscriptie carrière Plinius de Jongere

Het donkere stuk in de foto hierboven is het fragment van de inscriptie dat is gevonden in de middeleeuwse basiliek van Sint Ambrosius in Milaan. De tekst is aangevuld op basis van een beschrijving die een reiziger in de vijftiende eeuw heeft gemaakt.

De inscriptie geeft een chronologisch overzicht (in omgekeerde volgorde) van de loopbaan van Plinius de Jongere. Dat is niet alleen interessant omdat we zo iets over het leven van Plinius de Jongere leren, maar ook omdat het carrièreverloop kenmerkend is voor een zoon uit een gegoede Romeinse familie.

De eerste functie die Plinius de Jongere bekleedde, was die van rechter. Daarna werd hij achtereenvolgens militair tribuun, ruiterofficier, keizerlijk woordvoerder, volkstribuun, officier van Justitie en minister van Financiën. Deze functies had hij allemaal aan keizer Domitianus te danken. Diens opvolger Trajanus benoemde hem tot consul, toezichthouder over de riolen en de Tiber, en gouverneur over Bithynië. In die laatste functie kreeg hij van de keizer een blanco volmacht om de orde in de provincie te herstellen.

Mijn roman beschrijft hem als keizerlijk woordvoerder en als volkstribuun. In die functies doet hij braaf alles wat de waanzinnige Domitianus hem opdraagt.