Josephus’ verraad

Triomftocht Titus, Vespasianus, Joodse oorlog, Josephus'verraad, menora
Triomftocht Titus en Vespasianus

In 1935 werd Flavius Josephus door een groep Poolse Joden voor een tribunaal gedaagd. Zes jaar later deden Franse Joden hetzelfde. Beide keren werd Josephus als verrader postuum ter dood veroordeeld.

Toen ik het bovenstaande in een artikel over Josephus’ werk las, was ik meteen geboeid. Flavius Josephus was al meer dan 18 eeuwen dood. Hoe heeft de Joodse woede al die tijd kunnen overleven?

Josephus als generaal

In 66 CE brak in Judea de Joodse oorlog uit. Messianistische Joden kwamen in opstand tegen hun overheersers. Met het zwaard en de hulp van God hoopten ze het juk van de Romeinen van zich af te werpen. Josephus was een van die Joden. En niet zomaar één, aangezien hij door de opstandelingen werd aangewezen als commandant over hun troepen in Galilea.

Als legeraanvoerder bleek Josephus een regelrechte ramp. Het begon ermee dat hij met zijn autoritaire houding een groot deel van zijn leger tegen zich in het harnas joeg. Hij was daardoor meer bezig met het disciplineren van de Joden die zijn gezag niet aanvaardden, dan met het bevechten van de Romeinen. Uit zijn werk ‘Vita Iosephi‘ blijkt zelfs dat hij het nodig vond met zijn troepen Joodse steden te belegeren.

De geluiden daarover bereikten ook Jeruzalem en de hogepriester stuurde een gezantschap naar Galilea om Josephus uit zijn functie te zetten. Zelfkritiek bleek niet Josephus’ sterkste eigenschap. Hij besloot dat de beslissing van de hogepriester alleen maar het gevolg kon zijn van omkoperij en hij trok zich niets meer van Jeruzalem aan.

Toen hij zijn troepen eindelijk inzette tegen de Romeinen, verloor hij slag na slag. Daardoor raakten zijn soldaten het vertrouwen in hem kwijt en lieten hem in de steek. ‘Lafaards’ waren dat volgens Josephus, zoals je van ongeorganiseerde en slecht getrainde soldaten kon verwachten.

de val van Jotapata

Beroofd van zijn troepen zocht hij zijn toevlucht in Jotapata. Dat was de zwaarst versterkte stad in Galilea.  Tienduizenden Joodse soldaten hadden zich daarbinnen verschanst. Vanwege zijn legermacht en vestingmuren was Jotapata een prestigeobject voor de Romeinen. Ze wilden de stad innemen om te bewijzen dat ze superieur waren aan de Joden en hoopten daarmee het moreel van hun tegenstanders te breken. In juni 67 CE trok Vespasianus, hun opperbevelhebber, zijn gehele leger rond de stad samen. 47 dagen later nam hij de stad in.

Om de Joden hun opstandigheid af te leren, liet hij bijna alle 40.000 inwoners afslachten. Slechts 1.200 vrouwen en kinderen overleefden de inname en werden als slaven verkocht. Tenminste, als we Josephus niet meerekenen: de enige man die aan de dood ontkwam. In zijn verslag van de Joodse oorlog beschreef hij dat mirakel. Met veertig anderen hield hij zich in een geheime grot verborgen. Om niet door de Romeinen mishandeld te worden, besloten ze zich – net als later in Masada zou gebeuren – collectief van het leven beroven.

Stuk voor stuk zouden ze elkaar de halsslagader opensnijden, net zoals bij het ritueel slachten van vee. Alleen de laatste had niemand om hem te helpen: die moest zichzelf van het leven beroven. Ze trokken lootjes om hun volgorde te bepalen en door Gods wil was Josephus die laatste. Toen het zijn beurt was, herinnerde hij zich plotseling enkele dromen die hij in de weken daarvoor had gehad. In die dromen droeg God hem op de Romeinen te dienen. Als priester moest Josephus Hem natuurlijk gehoorzamen en daarom gaf hij zich aan Vespasianus over. Vespasianus werd vervolgens keizer en droeg het opperbevel in de Joodse oorlog aan zijn zoon Titus over.

het beleg van Jeruzalem

Drie jaar na de val van Jotapata stond Titus met zijn legioenen voor de muren van Jeruzalem. Nadat hij de stad had omsingeld, stuurde hij een woordvoerder naar de poort. U begrijpt al hoe die heette: Josephus. In onvervalst Hebreeuws sprak hij de verdedigers toe. Met alles wat hij in zijn macht had, probeerde hij de Joden ertoe over te halen de wapens neer te leggen en de poorten voor de Romeinen te openen. Hij bezwoer hen dat het Gods wil was dat ze de Romeinen moesten dienen. Tegen de Almacht mochten ze zich niet verzetten. Als ze toch door zouden vechten, riepen ze een groot onheil over zichzelf af.

De Joden bekogelden Josephus met stenen, pijlen en speren en wachtten dat onheil af. Enkele maanden later was het zover. Toen verwoestten de Romeinen hun stad en tempel. Alle Joden binnen de muren sneuvelden of werden als slaaf verkocht.

Josephus in Rome

Na de val van Rome werd Josephus aan de keizerlijke staf toegevoegd. Hij vertrok met Titus naar Rome. Daar schreef hij zijn al eerder genoemde verslag van de Joodse oorlog waarin hij Vespasianus en Titus verheerlijkte en de Joden de volledige schuld voor de oorlog in de schoenen schoof.

Met hem mee reisde de Joodse tempelschat, een ongekende hoeveelheid zilver en goud. De afbeelding hierboven toont de triomftocht van Vespasianus en Titus, waarin zij die oorlogsbuit aan het Romeinse volk tonen. Als blijvende herinnering aan zijn overwinning liet Vespasianus de Vredestempel bouwen, waarin de belangrijkste Joodse tempelstukken werden getoond. Eeuwenlang hebben de menora en de tafel der toonbroden daar gestaan, tot de Vandalen in 455 CE Rome verwoestten.