paus Clemens I

paus Clemens I
paus Clemens I

Het leven van paus Clemens I is in nevelen gehuld. Volgens de kerkgeschiedenis van Eusebius was Clemens de derde paus na de apostel Petrus, maar zelfs dat is niet zeker. De bronnen spreken elkaar tegen.

Een belangrijke oorzaak van het mysterie rond paus Clemens I is de verwarring van een aantal verschillende Clemensen die gelijktijdig in Rome leefden. De historie van de tweede helft van de eerste eeuw kent er vijf: de paus, de briefschrijver, de medewerker van Paulus, de martelaar en de neef van de keizer. In de legenden zijn die vijf versmolten tot één persoon, maar dat kan niet juist zijn. De bronnen duiden op drie verschillende Clemensen: 1. Flavius Clemens, de neef van de keizer, die als martelaar is gestorven; 2. de medewerker van Paulus, die alleen in de Bijbel wordt genoemd en 3. paus Clemens I, die ook een brief aan de gemeente van Korinte heeft geschreven.

de brief van paus Clemens I aan de gemeente in Korinte

Clemens heeft één authentieke brief geschreven. De brief gaat over rebellie. De Korintiërs waren in opstand gekomen tegen hun bisschop en Clemens berispte hen daarover. In zijn ogen was een Christen absolute gehoorzaamheid verschuldigd aan het gezag dat God boven hem had gesteld. Het is een standpunt dat Paulus al eerder in zijn brieven had ingenomen. Alleen ging het toen niet om het gezag van de kerk maar dat van de staat. Clemens wees de Christenen van Korinte erop dat ze ook gehoorzaamheid waren verschuldigd aan de gezagsdragers binnen de kerk. Dat was een begrijpelijk geluid van iemand die als bisschop van Rome aan de top van de kerkelijke hiërarchie stond.

Opmerkelijk is echter de volgende passage in zijn brief: “Deze dingen, broeders, schrijven we niet alleen om jullie op je plicht te wijzen, maar ook om onszelf te herinneren, want we strijden in dezelfde arena en we kampen met hetzelfde conflict“. Deze passage verwijst naar eerdere gebeurtenissen in Rome. Over het conflict dat daar heeft gespeeld, weidt Clemens niet uit. Het is echter duidelijk dat ook de gemeente in Rome in opstand was gekomen. Voor de positie van Clemens kan dat twee dingen betekenen: 1. hij heeft een aanval op zijn pauselijke troon te verduren heeft gehad en heeft die afgeslagen, of 2. hij is zelf tegen zijn voorganger Anacletus in opstand gekomen en heeft zo de pauselijke troon bemachtigd. Aangezien hij verder weigerde ook maar iets over het conflict te schrijven en later in de brief herhaaldelijk over berouw spreekt, acht ik het tweede scenario het meest waarschijnlijk. De ontwikkeling die ik Clemens daarom in mijn roman ‘De Derde Tempel’  laat doormaken, is die van een rebel die aan het eind van zijn leven zijn wilde haren verliest.

de naamswijziging van paus Clemens I

Hoewel hij het niet met zoveel woorden zegt, blijkt uit die brief aan Korinte onomstotelijk dat Clemens Joodse wortels had. Toch was “Clemens” geen Joodse naam. Net als Paulus moest hij dus van naam zijn veranderd. Naamswijziging was zeer gebruikelijk in Rome rond het begin van de jaartelling. Bekende voorbeelden zijn Plinius Minor, die op zijn 17e die naam kreeg toen zijn oom Plinius Major overleed en hem per testament adopteerde, en keizer Augustus, die bij zijn troonsbestijging die verheven naam verwierf. Veruit de meest gebruikelijke naamswijziging in die tijd was echter die van de vrijgelatene. Als een Romein een van zijn slaven vrijliet, verkreeg die van rechtswege de naam van zijn meester.

Na hun inname van Jeruzalem voerden de Romeinen tienduizenden Joodse slaven af naar Rome. Ik vermoed dat Clemens een van hen was. In mijn roman komt hij terecht in het huishouden van Flavius Clemens, de neef van de keizer. Na tien jaar geeft die hem zijn vrijheid terug. Vanaf dat moment draagt hij de naam Clemens.

Tatia
Tatia, echtgenote paus Clemens I
Tatia

De romance die ik in ‘De Derde Tempel’ het meest uitwerk, is die tussen paus Clemens en zijn vrouw Tatia. Proeflezers reageerden soms met verbazing op het huwelijk omdat in hun ogen een paus celibatair dient te leven. Het celibaat was in de eerste eeuw echter ongebruikelijk. In zijn eerste brief aan Timotheüs  schreef Paulus over het gewenste gedrag van bisschoppen: “een opziener moet onbesproken zijn, de man van één vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, (…)”. Pas in de vierde eeuw kregen bisschoppen het celibaat  opgelegd.

Of Clemens daadwerkelijk getrouwd is geweest, heb ik niet kunnen achterhalen, laat staan wie zijn vrouw was. De naam Tatia heb ik van een bordje dat ik in de catacomben van Flavia Domitilla zag hangen. Domitilla was een kleindochter van keizer Vespasianus en de vrouw van Flavius Clemens. Onder haar landgoed net buiten Rome mochten Christenen graven uithouwen voor hun doden. Dat gebeurde in het geheim omdat in die tijd de inwoners van Rome hun doden moesten cremeren.