Quintilianus

de Romeinse retor Marcus Fabius Quintilianus welsprekendheid
Marcus Fabius Quintilianus

Rond 71 CE werd Marcus Fabius Quintilianus door keizer Vespasianus tot hoogleraar in de retorica aangesteld. Dat maakte hem de eerste hoogleraar ter wereld. Vóór die tijd kende Rome ook al retors die de jeugd onderwezen in welsprekendheid, maar Quintilianus was de eerste die in staatsdienst kwam; zijn voorgangers waren altijd betaald door de ouders van hun leerlingen.

Zijn professoraat verschafte Quintilianus nationale bekendheid. Notoire Romeinse roddelaars als Juvenalis en Martialis schreven over hem in hun satires en epigrammen. Ze schilderden hem af als een saaie geleerde die met zijn lessen een vermogen verdiende.

Quintilianus was net als Martialis en Seneca in Spanje geboren (rond 35 CE). Nadat hij in Rome zijn studie retorica had afgerond, keerde hij terug naar zijn geboorteplaats Calagurris om daar als advocaat aan de slag te gaan. Kennelijk deed hij dat verdienstelijk, want toen Galba, de gouverneur van Spanje, in 68 CE door de Praetoriaanse Garde tot keizer werd uitgeroepen, vroeg hij Quintilianus als zijn adviseur mee naar Rome. Lang heeft Quintilianus niet van zijn nieuwe functie kunnen genieten, want na enkele maanden werd Galba vermoord. Diens opvolgers Otho en Vitellius deden alle aanhangers van Galba in de ban, zodat Quintilianus uit het openbare leven moest verdwijnen.

Quintilianus als retor

Het tij keerde toen Vespasianus aan de macht kwam. Ook hij was een aanhanger van Galba geweest en hij maakte Quintilianus zijn protegé. Binnen twee jaar na aanvaarding van zijn keizerschap benoemde hij Quintilianus tot hoogleraar en maakte hem verantwoordelijk voor de opleiding van een nieuwe generatie bestuurders.

Het klassieke Rome kende eigenlijk maar één academische opleiding: de retorica, oftewel welsprekendheid. Alle daartoe geschikte geschikte jongens van goede afkomst volgden die scholing. Wat ze daar leerden was niets meer of minder dan goede toespraken te houden. Welsprekendheid was in Rome het belangrijkste vereiste om een bestuursambt te kunnen uitoefenen. Dat was al zo tijdens de republiek en dat is in de keizertijd niet veranderd.

Wat onder Vespasianus wel veranderde was de maatschappelijke inbedding van de opleiding. Voordat hij keizer werd, huurden rijke ouders voor hun zoons privéleraren in; tijdens zijn bewind werd de opleiding van nieuwe bestuurders een overheidstaak. Quintilianus heeft die taak zo’n 17 jaar vervuld.

de Institutio Oratoria van Quintilianus

Na zijn hoogleraarschap heeft Quintilianus zich gewijd aan het schrijven van een handboek over retorica. Het werk, dat de titel ‘Institutio Oratoria‘ draagt, is vrijwel ongeschonden aan ons overgeleverd. Dat in tweeduizend jaar tijd slechts enkele passages verloren zijn gegaan, is te danken aan de ongekende kwaliteit van Quintilianus’ magnum opus. Tot op de dag van vandaag is het de uitgebreidste en helderste handleiding voor het schrijven van een overtuigende toespraak.

Quintilianus onderscheidt drie soorten toespraken: de lofrede, de politieke rede en het pleidooi in de rechtszaal. Vooral de laatste soort krijgt uitgebreid aandacht. In het klassieke Rome was een advocaat geen jurist, maar een retor. Voor juridische zaken had hij een jurist in dienst die hem adviseerde. In de rechtszaal wogen juridische argumenten niet zwaar. Voor een succesvol pleidooi waren overtuigingskracht en het raken van de juiste emotie van veel groter belang. Het verkrijgen van een positief vonnis, hing af van het gunstig stemmen van een rechter.

Ik heb zelf Nederlands recht gestudeerd en tijdens mijn studie stond rechtskennis centraal. De fictie die ik meekreeg, was dat de rechter louter besliste op grond van het recht. De praktijk leerde mij echter anders. In veel zaken zijn het niet de juridische argumenten die de doorslag geven, maar factoren als de houding en het uiterlijk van de procespartijen, de tentoongespreide emoties, de helderheid van het pleidooi en vooral de politieke en sociale opvattingen van een rechter. ‘Institutio Oratoria’ leert je die factoren te bespelen. Daarom raad ik iedereen die werkzaam is in de rechtspraktijk het werk van harte aan.

toespraken in mijn roman

Wie bekend is met de klassieke literatuur weet dat Griekse en Romeinse geschiedschrijvers hun werk doorspekten met redevoeringen om de door hen opgevoerde karakters voor zichzelf te laten spreken. Als neoclassicist kon ik er natuurlijk niet onderuit om ook enkele toespraken in mijn roman op te nemen. Quintilianus komt op die manier twee keer aan bod: met de pleitrede waarmee hij Flavius Josephus verdedigt en met zijn inaugurele rede. Dat waren de twee moeilijkste toespraken die ik ooit heb geschreven. Ze moesten namelijk voldoen aan alle eisen die de meester zelf aan de welsprekendheid stelt.

Nadat ik van beide toespraken een eerste versie had geschreven, heb ik die langs de meetlat van de ‘Institutio Oratoria’ gelegd. Alle 627 bladzijden van het werk heb ik uitgevlooid op adviezen van Quintilianus om de overtuigingskracht van de redes te vergroten. Ik ben benieuwd of het resultaat van lezers kan overtuigen.

Quintilianus’ vrouw Egeria
Egeria
Egeria

Net als bij Josephus  ken ik de naam van Quintilianus’ vrouw niet. De enige informatie die we over haar hebben, komt uit de ‘Institutio Oratoria’. Halverwege onderbreekt Quintilianus dat met de volgende passage:

“(…) nadat hun moeder mij al eerder ontrukt was: nog voordat haar negentiende levensjaar ten einde liep, had zij twee zoons gebaard, zodat zij, ofschoon veel te vroeg, niet doodongelukkig het leven liet. Ik was door deze ramp alleen al zo hevig getroffen dat geen enkel lot mij meer gelukkig kon maken. Doordat bij haar alle typisch vrouwelijk deugden tot ontplooiing waren gekomen, maakte ze mij ongeneeslijk verdrietig en omdat ze, zeker vergeleken bij mijn leeftijd, eigenlijk nog een meisje was, verwondde haar dood mij als was ze een van mijn kinderen.” (Vertaling Piet Gerbrandy).

Egeria, zoals ik haar heb genoemd, stierf dus jong. Wat verder opvalt is dat ze op haar negentiende al twee zoons had gebaard. Dat betekent dat ze erg jong getrouwd moet zijn. Waarschijnlijk al op haar veertiende. Quintilianus was veertig toen hij haar trouwde. Naar onze huidige westerse maatstaven zouden we hem om die redenen als pedofiel bestempelen.  In het klassieke Rome was een dergelijk huwelijk echter normaal. Vrouwen waren vanaf hun veertiende huwbaar, terwijl voor mannen gold dat ze zich eerst maatschappelijk moesten bewijzen.